De constitutie van Roma in de Republikeinse tijd was gebaseerd
op: de Senaat, Magistraten en de Volksvergaderingen.
De Senaat was een adviesraad die
in het begin bestond uit driehonderd leden,
gekozen uit de hoofden van de gentes, uit de oud-magistraten,
etc.
Zij ontving de buitenlandse ambassadeurs en sloot de verdragen met de
buitenlandse Staten, benoemde de goeverneurs van de provincies, controlleerde
de staatsadministratie en vaardigde wetten uit.
Door haar grote ervaring en gezag werd de Senaat gedurende lange tijd het
belangrijkste regeringsorgaan van de Republiek.
De Magistraten bleven, om willekeur en misbruik te voorkomen, slechts een jaar
in functie - de censoren 18 maanden (later 5 jaar) - en werden in nieuwe verkiezingen
vervangen. De Romeinen hadden de volgende magistraten:
De Consuls (n34;raadgeversn34;) werden
met tweeën gekozen en zaten de Senaat en
de comitia (volksvergaderingen) voor en lieten de besluiten uitvoeren,
stelden wetten voor en commandeerden het leger in oorlogstijd. In Rome
oefenden zij elk telkens een maand de macht uit; bij militaire operaties
ieder telkens een dag.
De Praetoren (n34;degenen die voorop lopenn34;)
zorgden voor de rechtspraak.
De Censoren zorgden voor de
schatting van de burgers en voor het inschrijven
van hun namen in de verkiezingslijsten die nodig waren voor de inning van de
verplichte belastingen. Zij waakten over de moraal van de burgers,
maakten de lijsten met de namen van de leden van de Senaat, waaruit zij ook
de onwaardigen konden verdrijven.
De Aedielen zagen toe op de
markten en op de voedselvoorziening van de stad;
zij hielden zich bezig met de openbare schouwspelen en met het onderhoud van de
gebouwen van de stad en van de wegen. Het ambt van aediel was de eerste stap
in de ambtenarenloopbaan (cursus honorum).
De Quaestoren bewaakten
de staatskas, incasseerden de belastingen en
betaalden soldij aan de troepen en aan de ambtenaren.
De Volkstribunen waren
de verdedigers van het volk: zij waren 'heilig en
onkwetsbaar' (sacrosanct), hadden het vetorecht en konden wetten voorstellen. De
tribunen konden Rome niet voor meer dan een dag verlaten en de deur van hun huis
moest altijd open zijn.
De Dictator was een
buitengewone magistraat (alle andere magistraten
waren zogenaamd gewoon): hij werd benoemd door de consuls in het geval van extreem
gevaar. Hij had onbeperkte macht, zowel militair als particulier en bleef zes maanden
in functie.
De Volksvergaderingen: er waren drie comitia,
al naar gelang de burgers bijeenkwamen
in curiae, centuriae of tribus. Zij konden de wetten die door de consuls of door de
volkstribunen werden voorgesteld, aannemen of afwijzen, maar zij konden ze niet
bespreken of eigen voorstellen doen.
De Comitia curiata waren de oudste volksvergadering (de
'curia' was een verbond
van verschillende families) en zij beperkten zich tot het bevestigen van de keuze
van de magistraten die in de andere comitia gekozen waren.
De Comitia centuriata kozen: de consuls, de praetoren en de censoren; zij besloten
over vrede en oorlog; zij beslisten in de strafzaken waarin Romeinse burgers ter dood
veroordeeld konden worden.
In de Comitia tributa verenigden de burgers zich per tribus (al naar gelang
de zone waarin zij woonden), zonder onderscheid in klasse: iedere tribus bevatte
patriciërs en plebejers, die samen stemden. In elke tribus gold
de meerderheid van de stemmers. De comitia tributa kozen de aedielen en de
quaestoren. Dit was de oudste demokratische vorm van de volksvergadering
en het belang ervan groeide met het voorbijgaan van de tijd.
De Volksvergadering had
een plebejische meerderheid en koos de volkstribunen.