Het Leger

De Romeinen konden rekenen op een militaire superioriteit die hun toestond Italië te verenigen. &#n34;Rome had -- zo schreef de Amerikaanse socioloog Talcott Parsons -- geen leger, maar was een leger&#n34;.
De centuriae verenigden zich in manipels en deze vormden het legioen, d.i. de basiseenheid waarmee ze oorlog voerden.
De opstelling van het Romeinse legioenin de slag was als volgt: in de eerste linie stonden de hastati (van het woord "hasta", lans; vandaar 'lansiers'); de hasta werd ondersteund door de "pilum", een kortere, maar zwaardere speer; in de tweede linie stonden de oudere en beter getrainde soldaten, de principes (eerste, voornaamste); in de derde de triarii, de veteranen die de reserve vormden.


In de slag vielen de velites, lichtbewapende infanteristen, verspreid staande naast de legioenen, aan met speren en slingers en lieten hun positie over aan de infanterie. Het was de taak van de hastati de eerste stoot te geven of op te vangen. Als de vijand weerstand bood of de druk te groot werd, verspreidden de manipels van de principes zich in de ruimtes tussen de hastati en vormden een grote linie. Als de strijd een onzekere afloop kreeg, dan kwamen de sterke en ervaren triarii in actie.

Op het einde van de 2e eeuw v.C., toen de Romeinen moesten opboksen tegen een grote massa vijanden, hervormde consul Caius Marius de inrichting van het leger. De verdeling in manipels werd verlaten en men ging over naar een grotere tactische eenheid: cohorten, ook opgesteld als op een schaakbord, maar ieder bestaande uit 500 tot 600 man. Bovendien veranderde Marius het leger in een beroepsleger, gerecruteerd uit het plebs.

De Romeinse legerplaats

De Romeinen waren ook meester in de kunst in het bouwen van legerplaatsen. Zij zetten een vaandel met witte kleur op de plaats van de tent van de consuls (praetorium) en drie rode vaandels op de plaatsen voor de tribunen (dat zijn de commandanten van de legioenen). Op zo'n manier wist elke legioensoldaat, wanneer het leger aankwam, door naar de vaandels te kijken, in welke rechthoek en in welke deel van die rechthoek zijn tent moest opzetten, aangezien ieder zich steeds met dezelfde plaats in het legerkamp bezighield.


A - Porta Praetoria (uitgang van het leger voor het gevecht).
B - Porta Decumana (achteruitgang, nooduitgang).
C - Porta Principalis dextra (uitgang voor het leger en voor de verkenners).
D - Porta Principalis sinistra (ingang voor de bagage, levensmiddelen).
E - Praetorium - Consuls, legati.
F - Forum (vergaderingen).
G - Quaestorium (schathuis) en augurale (plaats om de auspicia (vogeltekenen) waar te nemen).
H - Tribuni militares (Tribuni militum).
I - Keurtroepen van de socii.

J - Auxilia (Hulptroepen).
L - Tenten van de infanterie van de socii.
M - Tenten van de cavallerie van de socii.
N - Tenten van de infanterie van het eerste legioen.
O - Tenten van de cavellerie van het eerste legioen.
P - Tenten van de infanterie van het tweede legioen.
Q - Tenten van de cavallerie van het tweede legioen.
R - Vallum (fossatum: een gracht, een wal en palissade).
S - Via decumana maxima.
T - Via Larga (of "cardo").


Het geschut


ballistaonagerEr werden door de Romeinen verschillende soorten geschut gebruikt, meestal door de Grieken ontworpen, maar door de Romeinen verder ontwikkeld. Dit kon gebruikt worden bij belegeringen, maar ook bij veldslagen waarin de posities vast lagen (Alesia, slag bij Philippi). De twee belangrijkste zijn de ballista en de onager.



Vorige  Index  Boven  Volgende