Issakar (hebr. jissākār), israelitische stam, afgeleid
van de eponymus I., in de bijbelse genealogie zoon
van Jakob en Lea (Gn 30,17v). In Gn 30 wordt de
naam verklaard met een toespeling op het woord
sākār (loon), als zou hij ješ-sākār (er is loon) betekenen:
de juiste vorm van de naam zal jesaskar of
jesaskēr (God geeft loon) zijn; aldus Joüon (Bb 19,
1938, 281-283). De naam wordt ook genoemd in een
Amarnabrief. De stam wordt gekarakteriseerd in
Gn 49,14v. Volgens de grensbeschrijving van Joz 19,
17-23 bewoonde I. het gebergte tussen de vlakte van
Jizreël, de vlakte van de nahr gālūd en het dal van
de Jordaan; naar het noorden toe reikte dit gebied
tot de hoogte van de berg Tabor. Onder Salomo
vormde I. een eigen district onder stadhouder
Josafat
(1Kg 4,17). Koning Baësa
was afkomstig uit I. (1Kg
15,27), mogelijk ook Omri, omdat zijn nakomelingen
een landgoed hadden in Jizreël (21,1-4). In Ez48,
25v krijgt I. een stamgebied tussen Simeon en Zebulon;
in 48,33 is er in de heilige stad een I.-poort; in
Apoc 7,7 zijn er ook uit de stam I. 12.000 getekenden.
Lit. Abel 2, 60-62. W. F. Albright, The Topography of the
Tribe of Issachar (ZAW 44, 1926, 225-236). A. Saarisolo, The
Boundary between Issachar and Naphthali (Helsinki 1927).
A. Alt, Eine galiläische Ortsliste in .los 19 (ib. 45, 1927, 6481).
W. Herrmann, Issakar (FuF 37, 1963, 21-26). [v. d. Born]