Apocatastasis (ἀποκατάστασις). Onder a. verstaat men de leer dat uiteindelijk alle vrije schepselen in de genade van de zaligmaking zullen delen. Door een voortdurende loutering zouden de zondaars en duivels worden gereinigd en alles weer in God worden hersteld, zodat volgens deze leer de eeuwigheid van de straffen in de hel wordt geloochend. Men vindt deze gedachte bij Clemens van Alexandrië en Gregorius van Nyssa, maar meer uitgesproken bij Origenes.
Zij werd fel bestreden door
Augustinus en
veroordeeld op het concilie van Constantinopel
(543). Ook bij enkele latere sekten komt deze leer
terug (anabaptisten, moraviërs en christadelphi).
Personen uit later tijd bij wie dergelijke gedachten
leefden zijn: Schleiermacher, Lietzmann, Papini,
Barth.
Lit. A. Oepke (ThW 2, 386-392). Chr. Lenz (RAC 1, 510-516).
- A. Méhat, 'Apocatastase'. Origène, Clément d'Alexandrie,
Act. 3, 21 (VC 10, 1956, 196-214). G. Müller, Origenes
und die Apokatastasis (ThZ 14, 1958, 174-190). P. Siniscalco,
Ἀποκατάστασις e
ἀποκαθίστημι nella tradizione dellatirande
Chiesa fino ad Ireneo (Studia Patristica 3 = TU 78; Berlin
1961, 380-396). [Bartelink]