Chorepiscopus (χωρεπίσκοπος),bisschop van landelijk distrikt. De titel komt het eerst voor in c. 13 van de synode van Ancyra. Uit diverse synodenbepalingen blijkt dat de c. in de uitoefening van zijn macht beperkt was. Hij stond onder de stadsbisschop en kon slechts de lagere wijdingen toedienen.
Bij het concilie van Nicea
tekenden er 15 zelfstandig,
bij het concilie van Chalcedon
tekenden de chorepiscopi slechts in naam van de stadsbisschoppen
die ze vertegenwoordigen. In de 4e eeuw
vond men er vooral in Kl. Azië vele. Het concilie
van Laodicea (midden 4e eeuw) bepaalde (c. 57)
dat er verder geen chorepiscopi zouden worden
aangesteld maar dat ze zouden worden vervangen
door periodeutae, rondreizende priesters.
Lit. H. Leclercq (DAL 3, 1423-53). E. Kirsten (RAC 2,
1105-1114). H. Bergère, Étude historique sur les chorévêques
(Paris 1905). Th. Gottlob, Der abendländische Chorepiskopat
(Bonn 1928).
[Bartelink]