Eucharistie (gr. εὐχαριστία: dankzegging) als benaming van de christelijke cultus-maaltijd vanaf Ignatius (Eph 13,1; Phld4; Smyrnaeërs 8,1) en de Didaché (9,1.5). Vervangt de oudere aanduiding 'breken van het brood' (vgl. 1Cor 10,16). Cultische maaltijden kent men in bijna alle godsdiensten, maar de betekenis ervan variëert en kan zelfs binnen dezelfde religie in de loop van de tijd verschuiven. Voor de e. komen voornamelijk drie grondgestalten in aanmerking.
1. Gedachtenismaal. De opdracht het avondmaal te herhalen als gedachtenis vinden we in de instellingswoorden van Lc en Pls (bij Pls zelfs tweemaal). De vraag is echter, wat men daarbij gedenkt. Uit de vreugde waarmee de e. gevierd werd (vgl. Hand 2,46) heeft men afgeleid, dat de maaltijden met de verrezen Heer herdacht werden. Het bericht over deze maaltijden treft men echter alleen aan in latere tradities (Lc24,30v.41-43; Hand 1,4; 10,41; Jo21, 12v). Waarschijnlijk is de ontwikkeling omgekeerd geweest: juist bij de gemeenschappelijke maaltijden heeft men de aanwezigheid van de verrezen Heer het sterkst ervaren (vgl. Lc 24,30v). Uit 1Cor 11,26 zou men eerder afleiden, dat de e. een herinnering was aan de dood van Jezus. Het is echter ook heel goed mogelijk, dat de e. in eerste instantie een hervieren was van de maaltijden van Jezus met de zondaars. In het oude Oosten was de maaltijd symbool van de herstelde eenheid, van de verzoening (Gn 43,25-34; 2Kg25,27-30). Dit karakter had ook het eten van Jezus met tollenaars en zondaars (Mc 2,16 e.p.; Le 15,2; 19,7). Door met deze religieus uitgestotenen aan tafel te., gaan gaf Hij te kennen, dat ze toegelaten waren tot het Rijk. Daarmee haalde Hij de religieuze barrières van zijn tijd neer, wat leidde tot het conflict met de godsdienstige leiders van Israël en uiteindelijk tot zijn dood. Daarmee is het voortzetten van deze maaltijden indirect de herdenking van zijn dood.
2. Gemeenschapsmaal. Overal ter wereld is de maaltijd het symbool van gemeenschap, van verbroedering. Dit accent kan dus nooit helemaal ontbroken hebben bij de viering van de e., te meer omdat de maaltijd van Jezus met de zondaars reeds het karakter had van verzoening en vereniging. Ook de maaltijd van de Verrezene met zijn leerlingen drukt uit, dat zij die Hem verraden hebben weer in vriendschap zijn aangenomen. In 1Cor 10,17 wordt deze gedachte onderstreept, evenals in Did 9,4. Volgens 1Cor 11,20 verdient een maaltijd waarbij dit karakter ontbreekt niet eens de naam van 'maaltijd des Heren'. Ook de sekte van Qumran kende haar rituele maaltijden (1QS 6,21). In een of andere vorm kan deze gedachte dus nooit ontbroken hebben, maar daarmee behoeft het nog niet de grondgestalte te zijn. Wanneer de e. op de eerste plaats een herinnering is aan de maaltijden van Jezus met de zondaars, dan is het duidelijk, dat men er niet aan kan deelnemen zonder op zijn beurt de tekorten van zijn broeder te vergeven.
3. Offer. Moeilijker is het vast te stellen, of de e. oorspronkelijk het karakter van offer heeft gehad. Het paasmaal was aanvankelijk geen offer. Het blijft trouwens nog altijd de vraag, of het avondmaal in verbinding met een paasmaal werd gehouden, of dat zulks een latere interpretatie is: de bronnen spreken hier elkaar tegen. Ook de vermelding van het verbond bij Lc en Pls hoeft niet noodzakelijk op een offer te wijzen. Wel speelde het bloed een grote rol in het ritueel van verbond en verzoening. Maar de symboliek daarvan ligt veel meer in de verbindende kracht van het bloed (Hb 9,20; Ex 24,6-8). In het bloed zit het leven, iets goddelijks dus, en daarom kan het de mens in verbinding brengen met de levende God (Lv 16,11). De dood van Jezus is godsdienst-fenomenologisch geen offer te noemen: er komt geen priester aan te pas en er is evenmin een ritus. Wel kan men zijn dood in ruimere zin een offer noemen inzover men van iemand die zijn leven geeft voor de ander kan zeggen, dat hij zichzelf opgeofferd heeft. Zo zal men de woorden 'voor u' in het instellingsverhaal moeten verstaan. Later heeft men gepoogd het raadsel van het sterven van Gods Zoon te verklaren vanuit het OT. Zo werden de Ebed-Jahwe en het Paaslam voorafbeeldingen van de lijdende Messias. Deze teksten werden aanvankelijk alleen geciteerd om te bewijzen, dat de Messias moest lijden. In een later stadium echter trachtte men eruit te verklaren, waarom dit zo moest zijn. Zo ontstond een theologie van verlossing en verzoening die op haar beurt weer de interpretatie van de e. heeft beïnvloed.
Samenvattend kan men zeggen, dat Jezus de verzoening vooral verkondigd heeft door zijn eten met de zondaars. Dit heeft Hem zijn leven gekost en in zoverre is ook zijn dood verzoenend. De oud-testamentische verlossing en verzoening heeft dezelfde inhoud; God neemt Israël tot zijn volk aan en herstelt telkens weer de banden met het ontrouwe volk. Daarom kan Paulus deze modellen gebruiken om uit te leggen, wat Christus voor ons gedaan heeft.
De e. is dus in eerste instantie een voortzetting van
de maaltijden van Jezus met de zondaars en heeft
daarom verzoenend karakter. Indirect wordt daardoor
ook zijn sterven herdacht. Deze dood werd geduid
als plaatsvervangend in ruimere zin (Ebed-Jahwe)
en als verbond (Paaslam) en deze duiding
van de dood van Jezus heeft gestalte gegeven aan de
definitieve vorm van het instellingsverhaal.
Lit. B.W.3, 391; verder: N. Hook, The Eucharist in the
NT (London 1964). E. J. Kilmartin, The Eucharist in the
Primitive Church (New York 1965). A. B. du Toit, Der Aspekt
der Freude im urchristlichen Abendmahl (Winterthur 1965).
J. Wilkinson, The Supper and the Eucharist (London 1965).
J. J. von Almen, Essai sur 1e repas du Seigneur (Neuchâtel
1966). S. McCormick, The Lord's Supper. A Biblical Interpretation
(Philadelphia 1966). J. Watteville, Le sacrifice dans
les textes eucharistiques des premiers
siècles (Neuchâtel 1966).
W. Averbeck, Der Opfercharakter des Abendmahls in der
neueren evangelischen Theologie (Paderborn 1967). W. Barclay,
The Lord's Supper (London 1967). O. Cullmann, Die
Bedeutung des Abendmahles im Urchristentum (Vorträge und
Aufsätze, Tübingen/Zürich 1967, 505-523). [Bouwman]