Lucas-evangelie (afk. Lc).
(I) Auteur. De auteur van het derde ev is volgens de traditie (canon Muratori, antimarcionitische proloog, Irenaeus, Tertullianus, enz.) Lucas. Er zijn weinig redenen om deze traditie uit het einde van de 2e eeuw in twijfel te trekken. Weliswaar ontstaat in deze periode het streven de kanonieke evv met een apostolische auteur te verbinden (Tertullianus, Contra Marcionem 4,2) en Lucas kon als metgezel van Paulus indirect als apostolische autoriteit gelden. Maar men zou toch eerder een van de Twaalf als auteur genoemd hebben, indien de traditie niet reeds een vaste vorm gekregen had (Handelingen).
(II) Inhoud en bouw. Lc volgt in grote trekken de
bouw van Me. Op twee plaatsen last hij eigen materiaal
in (6,20-8,3 en 9,51-18,14). Evenals Mt voegt
hij aan het traditionele schema het kindsheidevangelie
toe (1,5-2,52), dat met Mt geen verbindingen
heeft. Mc 6,45-8,27, een passage die na 9,17 zou
moeten komen, laat hij weg. In feite vervangt hij
het tweeledige schema van Me, waarbij de belijdenis
van Petrus (Mc 8,27-31) het scharnier vormt, door
een driedeling: Galilea (3,1-9,50), Samaria (9,51-18,
34), Jeruzalem (18,35-24,53). Op deze wijze wordt
de weg van Jezus het spiegelbeeld van de weg van
de kerk (Hand 1,8). Om die reden laat hij Mc 6,458,27
dat zich in het Overjordaanse afspeelt weg, verplaatst
hij de verrijzenisverschijningen van Galilea
naar Jeruzalem (vgl. Lc 24,6 met Mc 16,7) en bouwt
hij de reis naar Jeruzalem (Mc 10,1-45 via het Overjordaanse)
uit tot een langdurig verblijf in Samaria.
Ook kleinere wijzigingen hangen hiermee samen
zoals de volgorde van de bekoringen (Mt 4,1-11 en
Lc 4,1-13). Inhoudelijk heeft Lc zijn evangelie afgestemd
op het leven van de eerste christenheid, bv.
het verhoor door Herodes (26,6-16; vgl. Hand 4,
25v) en de kruiswoorden (23,34.46; vgl. Hand 7,
5 9v).

(III) Theologie. Achtergrond van deze parallellie is de gedachte, dat de kerk de voortlevende Christus is (Hand 9,5; 22,8; 26,15). Om dit aan te tonen projecteert Lc het leven van de kerk terug in het leven van Jezus. Zo worden de Twaalf door Jezus zelf reeds apostel genoemd (Lc 6,13) een titel die zij in Hand uitsluitend dragen (28 maal; uitzondering 6,2). Onder hen komen de (twee en) zeventig leerlingen, die de prediking verzorgen (Lc 10,1-12; vgl. 9,1-6). De centrale plaats van Jeruzalem in het leven van Jezus weerspiegelt de functie van de oergemeente in Hand. De theologie van Lc vertoont een verder stadium van ontwikkeling dan die van Hand. Reeds bij zijn geboorte is Jezus Verlosser, Christus en Heer (Lc 2,11); in Hand wordt Hij bij zijn verrijzenis als zodanig aangesteld (Hand 2,36; 5,31). Ook anti-gnostische tendenzen zijn in Lc duidelijker aanwijsbaar (vgl. de nadruk op het lichamelijke in 3,22; 23,55; 24,3.23.39).
(IV) Tijd en plaats van ontstaan zijn onzeker. In het algemeen zijn de auteurs geporteerd voor een datering na 70, omdat Lc in cp 21 de ondergang van Jeruzalem losmaakt van het einde der tijden. De late datering (na 70) vindt ook steun in Lc 8,51 en 9,28, waar Johannes vóór Jacobus wordt genoemd in overeenstemming met de plaats die Johannes later in de kerk speelde. Deze volgorde kan echter ook ontstaan zijn uit de parallellie met Hand, waar beide apostelen in deze volgorde optreden. Wanneer men Le vóór 70 dateert, dan is dit op grond van de datering van Handelingen. Inhoud en theologisch karakter pleiten eerder voor een datering rond 90 (vgl. Jo). Als plaats van ontstaan worden door de traditie Rome en Griekenland genoemd.
(V) Literair karakter. Lc is de eerste evangelist die
een doelbewuste poging onderneemt de verzameling
van losse perikopen, die hij uit Mc en een onbekende
bron (Q) overneemt, tot een ordelijk geheel te maken
(vgl. 1,3). Hij doet dit door kruisverwijzingen
(vgl. 7 ,30 en 8,2 met 7 ,36-50). Hij rondt een verhaal
eerst af vóór hij aan een nieuwe episode begint (1,
56.80; 3,20). Hij schrapt doublures als de tweede
broodvermenigvuldiging (Mc 8,1-10). Hij maakt zijn
literaire aspiraties echter ondergeschikt aan zijn
theologische doelstellingen. Zo verdubbelt hij het
zendingsverhaal (zie boven III). Terwijl hij zijn werk
met een klassieke proloog inleidt, schrijft hij het
kindsheidevangelie in semitiserend grieks om het een
archaïsch karakter te geven.
Lit. Zie Handelingen. R. Morgenthaler, Die lukanische Geschichtsschreibung
als Zeugnis (Zürich 1949). F. Rehkopf,
Die lukanische Sonderquelle (Tübingen 1959). C. Eseverri
Hualde, El Griego de San Lucas (Pamplona 1963). A. Q.
Morton/G. H. C. Macgregor, The Structure of Luke and
Acts (London 1964). W. C. Robinson, Der Weg des Herm:
Studien zur Geschichte und Eschatologie im Lukas-Evangelium
(Hamburg-Bergstedt 1964). H. Flender, Heil und Geschichte
in der Theologie des Lukas (München 1965). G.
Voss, Die Christologie der lukanischen Schriften in Grundzügen
(Paris/Brugge 1965). Ch. H. Talbert, Luke and the
Gnostics (Nashville 1966). M. Rese, Alttestamentl. Motive
in der Christologie des Lukas (Gütersloh 1969). B. Rigaux,
Le témoignage de l'Evangile de Luc (Paris 1970). W. Dignath,
Die lukanische Vorgeschichte (Gütersloh 1971).
Commentaren: J. N. Geldenhuys (London 1950). M.-J. Lagrange
(Paris 1950). J. Keulers² (Roermond 1951). A. Valensin/J.
Huby (Paris 1952). S. Greydanus (Amsterdam/
Kampen ²1955). E. E. Ellis (London 1966). J. Schmid4
(Regensburg 1960). A. Stöger (Düsseldorf 1964/66). A. R. C.
Leany² (London 1966). K. H. Rengstorff (Göttingen 1967).
F. Godet (Neuchâtel 1969). W. Grundmann (Berlin 1969).
A. Plummer (Edinburgh 1969). F. Rienecker (Wuppertal
1969). H. Schürmann, 1. Teil (Freiburg 1969). [Bouwman]