Massebe (hebr. massēbāh = iets dat opgericht is) is
de naam die in het OT gegeven wordt aan een steen,
opgericht als herinnering aan een ingrijpende gebeurtenis
zoals de manifestatie van een optreden
van God (Gn 28,18; 35,14). Daarnaast werd soms
een altaar opgericht (Ex 24,4). Daar de m. door de
Kanaänieten werd opgevat als een symbool van de
mannelijke component der vruchtbaarheid en als
zodanig in de godsdienstige gebruiken van Israel
doordrong, werd een dergelijke steenverering door
de profeten veroordeeld en door de wet van Mozes
verboden (Dt 16,22). Het oprichten van een m. door
de koning werd gezien als oorzaak van ellende (2Kg
17 ,10) en de verwoesting van de m. door Josia werd
met instemming begroet (2Kg 23,14). Vgl. ook Hos
10,2 en Mich5,12. Exemplaren van dergelijke stenen
werden gevonden in Gezer, Sichem,
Megiddo
en Bet-san.
Lit. R. de Vaux, Hoe het oude Israël leefde 2 (Roermond/
Maaseik 1962) 119-126.
[Beek]