Pseudepigrafa, aanduiding voor geschriften op een
gefingeerde auteursnaam. P. komen voor onder de
canonieke boeken van het OT (bv. Pr en Wh, die
aan Salomo worden toegeschreven) en misschien
ook in het NT (bv. 2Pt), maar zijn met name afkomstig
uit het judaïsme, waar ze worden voorgesteld
als geschreven door mannen als de patriarchen,
Henoch, Jesaja, Ezra en anderen. Omdat deze
niet canoniek zijn, worden ze in de katholieke theologie
ook apocriefen
genoemd. Niet-katholieke
auteurs spreken echter meestal van p. om ze te
onderscheiden van de deuterocanonieke boeken van
het OT, die als apocriefen worden aangeduid.
Lit. L. H. Brockington, The Problem of Psendonymity (JTS
N.S. 4, 1953, 15-22). J. A. Sint, Pseudonymität im Altertum.
Ihre Formen und ihre Gründe (Commentationes Aenipontanae
15, Innsbrück 1960, 3-174).