Sabbat (hebreeuws šabbāt), naam die het OT geeft aan de zevende dag van de week. Het kenmerkende van de viering van deze dag, eerst in Israel en later in het jodendom, is het verbod vuur te ontsteken (Ex 35,3) en het gebod de dagelijkse arbeid, voorzover niet strikt noodzakelijk, te staken.
Het wetenschappelijk onderzoek heeft de vraag naar de oorsprong van de s. niet afdoende kunnen beantwoorden. Het verbod vuur te ontsteken heeft geleid tot de hypothese dat Mozes de viering van de s. aan de Kenieten ontleend zou hebben. Men stelde zich voor dat Jetro, de schoonvader van Mozes, een vooraanstaande plaats had ingenomen als priester in een stam van rondtrekkende smeden. Het vuurtaboe zou hen op de zevende dag tot rust gedwongen hebben. Het bezwaar van deze hypothese is dat er op te veel onbekenden een betoog wordt gebouwd. Men heeft ook verband willen zien met een dag die in Mesopotamië sapattu genoemd werd en waarop bepaalde werkzaamheden verboden waren. De plaats van deze dag in de kalender was afhankelijk van de maanfasen en dat is de israelitische s. niet. J. H. Meesters heeft de oorsprong gezocht bij bepaalde taboe-dagen in Egypte, maar ook dan is de parallel niet overtuigend.
Het belang dat Israel heeft toegekend aan de viering van de s. als rustdag is af te leiden uit Gn 2,3. Hier komt het woord s. niet voor, maar wel het verbum sbt, dat 'rusten' betekent en van oudsher beschouwd is als de etymologische achtergrond van sabbaat. God zegende en heiligde de zevende dag omdat Hij daarop gerust had. Hij had daarmee een voorbeeld ter navolging gegeven.
De herkomst van de s. als een goddelijke instelling is het motief van een bericht in Ex 16 over de spijziging van Israel in de woestijn door het manna: telkens op de zesde dag valt een dubbele hoeveelheid, die niet aan bederf onderhevig is. Daarom was er op de zevende dag altijd voldoende voedsel en kon deze dag als een rustdag en heilige s. gevierd worden (Ex 16,23).
De dekaloog gebiedt de s. te gedenken (Ex 20,8) of in acht te nemen om dit te doen (Dt 5,12 en 15). Vergelijking van de geboden toont niet alleen een verschil in stijl maar ook in argumentatie; Ex wijst naar het voorbeeld van de Schepper en Dt herinnert aan de slavernij in Egypte. Daardoor komt in Dt een zwaardere nadruk te liggen op de verplichting van de werkgever zijn personeel te laten rusten. Ook rund en ezel worden naast het algemene woord voor vee uitdrukkelijk vermeld als schepselen die recht hebben op een dag waarop zij kunnen uitrusten. Ex 23,12 noemt naast de vreemdeling nog de zoon van de slavin en gebruikt dan het typische woord 'uitblazen' voor de rust van de zevende dag.
De herinnering aan de slavernij in Egypte en de oproep zich te identificeren met de slaaf en de vreemdeling die men zelf eenmaal geweest is, legt een band tussen de viering van s. en Pasen. Iedere s. is zowel volgens Ex als volgens Dt een feest van bevrijding. Het voorschrift de s. in acht te nemen en te heiligen is een hoofdgebod, is dit althans geworden. Lv 19,3 herhaalt het naast het gebod vader en moeder te eren. Het komt in hetzelfde hoofdstuk voornaast het betonen van eerbied voor het heiligdom (19,30). Een sabbatschender werd volgens Nm 15, 32-36 op bevel van Mozes gestenigd zodat hij stierf (vgl. Ex 35,2).
De profetische en historische boeken van het OT verstrekken enige informatie over de wijze waarop men in de loop der tijden de s. heeft opgevat. Hosea spreekt erover als een dag van vreugde en feest (2, 10; hebreeuwse tekst 2,13). Am 8,5 noemt in één adem de s. en de nieuwe-maansdag als dagen waarop geen handel wordt gedreven. Volgens 2Kg 4,23 begaf men zich op zulke dagen naar de man Gods om die te raadplegen. Uit Is 1,13 is af te leiden dat op zulke dagen godsdienstige samenkomsten werden gehouden, hoewel ze in de wet van Mozes niet zijn voorgeschreven. Er werden in de tempel wel speciale offers gebracht, zoals afgeleid kan worden uit Nm 28,9v en 1Kr 9,32. Volgens 2Kg 11,5-9 werd tijdens de regering van Athalia op de s. de wacht bij het paleis afgelost.
De gegevens zijn schaars, maar het is wel duidelijk dat in de periode die aan de ballingschap voorafging en die erop volgde de s. in betekenis toenam en zeker in het oog der profeten. Jr 17,19-27 roept het conflict op dat gerezen is tussen het handhaven van het gebod en de belangen van de handel. Na de ballingschap staat Nehemia voor hetzelfde probleem blijkens Neh 13,15-21. Het grote belang dat Ezechiël aan de s. heeft gehecht blijkt uit een aantal uitspraken als 20,12-24; 44,24 en 46,4. Het is zeer waarschijnlijk dat juist in de ballingschap de s. tot een herkenningsteken voor de joden temidden van vreemdelingen is geworden. Blijkens Js 56,6 kan de ware proseliet aan het onderhouden van de s. herkend worden en Is 58,13v roemt degenen die op de s. geen zaken doen en geen ijdele taal uitslaan. Hoezeer een strenge opvatting van de s. de gelovigen in verlegenheid kon brengen, blijkt uit de geschiedenis die door 1Mk 2,3 1-41 is vastgelegd. In de strijd tegen de Grieken had een aantal wetsgetrouwen het leven gelaten door zich op s. niet te verdedigen. Mattatias besliste toen dat men zich wel mocht verdedigen. Een compromis werd gevonden in het besluit een vluchtende vijand op de s. niet te achtervolgen (2M 8,25v).
Het Jubileeënboek legt de nadruk op de bijzondere plaats die door God aan Israel is toegekend door de instelling van de s. (Jub 2,17-32). Strenge inachtneming wordt aan het slot van dit boek voorgeschreven en de schrijver gaat zelfs zo ver dat hij de huwelijksgemeenschap op die dag voor verboden verklaart (Jub50,6-13). De rabbijnen waren het daarmee niet eens en hielden de huwelijksgemeenschap op s. voor verdienstelijk.
Het lag in de aard der ontwikkeling dat de s. voor de rabbijnen tot een rijke bron van casuïstiek werd. In het talmoedisch tractaat S. in de seder Mo'eed worden geboden en verboden uit de gegevens van het OT afgeleid. Een uitgangspunt is de tekst Ex 34, 21, waarin ploegen en oogsten uitdrukkelijk vermeld worden als vallend onder het gebod de arbeid te staken. Het zijn de farizeeën die in de discussies de hoofdtoon voeren. Met hen polemiseerde Jezus, zoals uit verschillende plaatsen in de evangeliën blijkt. De belangrijkste uitspraak van Jezus in dit verband is dat de s. gemaakt is om de mens en niet de mens om de s. (Mc 2,27). Deze opvatting werd trouwens door vele rabbijnen gedeeld. Wanneer levensgevaar dreigde mocht de wet van de s. tijdelijk buiten werking gesteld worden. Van Jezus worden verschillende genezingen op de s. vermeld en deze waren uitgangspunten van discussies met de farizeeën over wat wel en niet geoorloofd was te doen.
Toch heeft de oudchristelijke gemeente tot de val van Jeruzalem zich grotendeels aan de rabbijnse opvatting van de s. gehouden. Paulus heeft de betekenis gerelativeerd door over nieuwe-maan of s. te spreken als van een schaduw van de dingen die nog komen moesten (Col 2,16v). Eerst langzamerhand verplaatste de feestdag der christenen zich van de s. naar de zondag. Een wettische opvatting van de zondag, analoog aan die van de s., vindt in de teksten van het NT geen steun.
De aanstoot die de antieke wereld nam aan het jodendom
wegens zijn anders-zijn, werd door het
houden van de s. als rustdag versterkt. Men kende
in de niet-joodse wereld vele rustdagen, maar ze
werden genoten door degenen die zich die luxe
konden veroorloven met hulp van personeel. Het
bijzondere van de joodse s. was dat de staking van
de arbeid ook gold voor slaaf en slavin. Antieke
schrijvers beschouwden dit als een teken van arbeidsschuwheid.
Lit. E. Lohse (ThW 7, 1-35). - K. Hruby, Le s. et sa célébration
d'après les sources juives anciennes (L'Orient Syrien 7,
1962, 435-462; 8, 1963, 55-86). N. A. Barack, A History of
the S. (New York 1965). J. H. Meesters, Op zoek naar de oorsprong
van de s. (Assen 1966). A. Huist, Bemerkungen zum
S.gebot (Studia Vriezen, Wageningen 1966, 153-164). [Beek]