Egypte - Antropologie

(A) Samenstelling. Als een eerste bevolkingsgroep dienen onderscheiden te worden de hoogste medewerkers en afgevaardigden van de koning in de administratie, het leger, de cultus. Reeds in het Oude Rijk werden hun door de koning voor hun onderhoud landerijen toevertrouwd met het daarbij horende personeel en vee. Daarnaast werd een middenstand gevormd door de schrijversambtenaren, de gewone priesters en leden van de clerus, de soldaten, ambachtslui en kunstenaars.

Hoewel juridisch vrije lieden, stonden zij toch ter beschikking van, en waren ze ten zeerste afhankelijk van de eerste groep. De talrijke landarbeiders op de koninklijke en staatsdomeinen en op de landerijen der hoge ambtenaren en der tempels dienden eerder als lijfeigenen dan als slaven beschouwd te worden. Er zijn wel voorbeelden van personen die verkocht werden, doch de slavernij speelde in het Oude Rijk geen economische rol. De grote ondernemingen van de staat, bv. het bouwen van de piramiden en van de daarbij horende steden, bepaalde irrigatiewerken, werden verzekerd door herendiensten van deze landarbeiders en van andere werklieden. De staat verzekerde hun zodoende het levensonderhoud tijdens de periode van werkeloosheid, veroorzaakt door de Nijloverstroming.

Tegen het einde van het Oude Rijk verleenden koninklijke decreten aan de bewoners van de piramidensteden en aan het personeel der gouwtempels zekere privileges die hen aan het gezag van de staat onttrokken. Zo ontstonden zelfstandige grondeigenaars en ook vrije landbouwers, vooral toen tengevolge van een revolutie het staatsbestel ineenstortte en de Eerste Tussenperiode begon. Het herstel van de koninklijke macht maakte hieraan geleidelijk een einde, zodat onder het Middel-Rijk en het Nieuwe Rijk de toestand ongeveer opnieuw was zoals hierboven beschreven. Onder het Nieuwe Rijk werden aan soldaten, priesters enz. vaak gronden in vruchtgebruik gegeven, die zich weer tot privé-bezit ontwikkelden. In deze periode was er ook een grote toevoer van buitenlandse slaven: vreemde krijgsgevangenen werden als landarbeiders aan de tempels en ook aan private personen geschonken. Bepaalde beroepen, bv. die van kok en huisbediende, van wever of brouwer, werden bij voorkeur aan deze slaven, voornamelijk aan die uit Syrië-Palestina, toevertrouwd.

Tijdens de hellenistische tijd bestonden er naast de βασιλικοὶ γεωργοί van de staatsdomeinen ook vrije landbouwers. De soldaten, Grieken en andere vreemdelingen, kregen akkers in vruchtgebruik, voornamelijk in de nieuw ontgonnen gronden van het Faijûm, op voorwaarde dat zij beschikbaar bleven voor de krijgsdienst. Deze κληροῦχοι, later κάτοικοι geheten, wisten op hun beurt deze akkers in hun gezin erfelijk te maken. De hoge ambtenaren en de tempels bezaten, zoals voorheen, uitgestrekte domeinen: de γῆ ἐν δωρεαῖ en de ἱερὰ γῆ.

In alle perioden van de egyptische geschiedenis streefden de vooraanstaanden en de leden van de middenstand er naar, hun ambt of hun beroep op hun zonen over te dragen. Dit verleende aan de bevolkingsklassen een grote stabiliteit en bemoeilijkte de toegang voor buitenstaanders. Ten onrechte evenwel hebben de griekse auteurs hieruit besloten tot het bestaan van gesloten kasten (Herod. 2.164; Plato, Timaeus 24a; Diodorus 1.73-74; Strabo 17.1.3).


Lit. W. Helck, Die soziale Schichtung des ägyptischen Volkes im 3. und 2. Jahrtausend v.Chr. (J. econ. and soc. Hist. of the Or. (Leiden) 2, 1959, 1-36). A. M. Bakir, Slavery in Pharaonic Egypt (Cah. 18 Suppl. Annal. Serv. Antiq.; Cairo 1952). Peremans/Vergote, 134.


(B) Kleding en haardracht (zie ANEP nr. 12-17). Tijdens het Oude en het Middel-Rijk beperkte de kleding der mannen zich tot de linnen lendendoek, reikend van middel tot knie. Deze kon, naargelang de mode, verschillende vormen aannemen. De vrouwen droegen een lange nauwe japon met twee schouderbanden. Deze was soms veelkleurig, doch de witte japon gold als voornamer. Soms kwam daarbij een witte mantel (bv. Nefret, zie ANEP 17). Onder het Nieuwe Rijk, met name sinds de regering van Hatsjepsut, deden zich belangrijke wijzigingen voor. De mannen droegen toen dikwijls een dubbele lendendoek, waarvan de bovenste doorschijnend was, alsook een kort hemd. De leden van de hoge stand droegen nu wijde en doorzichtige gewaden. In het Late Tijdperk keerde men tot meer soberheid terug.

De E. liepen meestal blootsvoets. Het dragen van sandalen, meestal uit papyrus gevlochten, was een luxe.

Tot de bijzondere klederdrachten behoorde die van de vizier: een lang nauw kleed dat van onder de armen tot aan de enkels reikte en met twee schouderbanden werd opgehouden. De sem-priester was met een panterhuid getooid en de ritualist of voorleespriester was te herkennen aan een brede schouderband die van zijn lenden schuin over de borst liep. Hoewel talrijke recepten voor haarverzorging bekend zijn, was het dragen van pruiken, zowel door mannen als vrouwen, doorheen de egyptische geschiedenis, een zeer gewoon verschijnsel. De pruiken der mannen bestonden meestal uit korte gekrulde lokken, maar konden ook tot aan de rug reiken. De vrouwen hadden soms dezelfde pruiken, doch veel vaker lange, sluike haren; in enkele gevallen reikten ze slechts tot aan de schouders. Onder de pruik droegen de mannen, en naar het schijnt ook de vrouwen, de haren kort geschoren. Danseressen uit het Oude Rijk hadden lange vlechten met een bol onderaan. Onder het Nieuwe Rijk vertoonden de pruiken meer gecompliceerde vormen; die der vrouwen bestond soms uit talrijke vlechten. In die tijd ontstond ook de gewoonte, een geparfumeerde zalfkegel op het hoofd te dragen die door de hitte langzaam smolt. De kinderen droegen een zijdelingse lange haarlok. Van het Oude Rijk af hadden de E. een glad geschoren gelaat. Het dragen van een snor was zeldzaam (bv. Rahotep, zie ANEP nr. 16).


Lit. H. Bonnet, Die ägyptische Tracht bis zum Ende des Neuen Reiches (Unters. z. Gesch. u. Alt.-K. Äg. 7, 2; Leipzig/ Berlin 1917). E. Staehelin, Untersuchungen zur ägyptischen Tracht im Alten Reich (Münchner ägypt. Stud. 8; Berlin 1966). Posener 297-298a; 61b-63a; 257b. Helck/Otto 176v; 134v; 307.


(C) Lichaamsverzorging en sport. De mastaba's van Mereruka en van Ptahhotep vertonen scènes waarin naakte jongelingen min of meer ruwe spelen beoefenen of met speren werpen. Meisjes voeren andere spelen uit en leren dansen (ANEP nr. 216v). Wij vinden ook een soort steekspel van bootslui, zoals dit thans nog bestaat onder de gondolieri te Venetië: de mannen van de ene boot proberen met bootshaken die van de andere boot in het water te doen tuimelen. In de graven van Beni-Hasan, uit het Middel-Rijk, zijn worstelwedstrijden afgebeeld die blijkbaar de training vormen van rekruten. De vooraanstaande personages gingen liever in het papyrusbos op lichte papyrusboten vissen en nijlpaarden met speren doorsteken of met de boemerang wilde eenden doden. Zij gingen ook, met boog en pijlen gewapend en van honden vergezeld, in de woestijn jagen op gazellen en struisvogels. De koningen versmaadden deze sport niet en zij beoefenden, onder het Nieuwe Rijk, de jacht met de strijdwagen (ANEP nr. 190). De leeuwenjacht met paard en wagen was, naar de afbeeldingen te oordelen, een vorstelijk privilege; voor Amenhotep III was zij een geliefkoosde bezigheid. Ook Amenhotep II stond er op, zijn sportprestaties als roeier, scherpschutter en wagenmenner te vereeuwigen.


Lit. P. Montet, Les scènes de la vie privée dans les tombeaux égyptiens de l'Ancien Empire (Publ. Fac. d. Lettres Univ. de Strasbourg 24; Strasbourg 1925, 81-83; 368-372). B. van de Walle, Les rois sportifs de l'ancienne Égypte (Chron. d'Ég. 13, 1938, 234-257).


(D) Omgangsvormen, opvoeding, onderwijs. Een belangrijke studie over de omgangsvormen is door H. Grapow bezorgd. Een eerste vorm van gezamenlijke opvoeding en onderricht treffen wij aan het hof aan. De kinderen uit de hoge adel werden samen met de koningskinderen in de z.g. k3p opgeleid door een of meer leraren, door de vorst daartoe aangesteld. Het onderwijs was verder voorbehouden voor hen die bestemd waren om ambtenaar of priester te worden; de meisjes bleven van onderricht verstoken en ongeletterd. Van het Oude Rijk tot het einde van de egyptische geschiedenis was het de gewoonte dat de ambtenaar zijn zoon in het beroep opleidde (Diod. 1.81.7). De grondslag van de morele vorming was te vinden in de verschillende werken van de wijsheidsliteratuur (zie sub VII.D.7), die zich overigens steeds als een onderwijzing van de vader aan zijn zoon aandienen. De zoon werd aangemaand zich in alles te voegen naar de Maat, de kosmische orde, op het menselijk vlak door waarheid en gerechtigheid vertegenwoordigd.

Hij moest een gematigd mens, een 'zwijger' worden. De Leer van Cheti leert ons echter dat er onder het Middel-Rijk ook een 'leerschool voor het schrijven' bestond voor de zonen der ambtenaren, en de Leer van Anii (18e dynastie) vermeldt een 'onderrichtshuis', waar de kinderen in hun prille jeugd worden heengestuurd. Voor de Ramessidentijd bestaan er getuigenissen die er op wijzen dat sommige knapen in de 'stallen' van de koning samen met het onderricht een militaire scholing genoten (P. Chester Beatty II 5,1v). Om te leren schrijven kopieerden de scholieren of schreven onder dictee, op papyrus of ostracon, literaire teksten. De leraar verbeterde deze taken in de bovenste marge. Deze 'Schülerhandschriften' hebben ons talrijke fragmenten uit de literatuur overgeleverd. Zij tonen hoe, onder het Nieuwe Rijk, het klassieke middel-egyptisch, dat toen een dode taal was, nog aangeleerd werd. Er bestaan ook bloemlezingen van brieven en verslagen ten behoeve van toekomstige ambtenaren. Het onderwijs in het rekenen stond blijkbaar bij de literaire vorming ten achter.

Aan de tempels waren scholen verbonden. Hiertoe behoorde het 'pr-'nh' of 'levenshuis', waar naast allerlei religieuze wetenschappen ook magie, astronomie, oniromancie (dromenuitleggerij) en geneeskunde beoefend werden. Aan het levenshuis waren leraren verbonden en het was daarom niet alleen een scriptorium (Gardiner), dienend voor het opstellen en kopiëren van liturgische, mythologische, rituele en funeraire teksten, waaronder het Dodenboek, maar bovendien een inrichting voor hoger onderwijs (Volten).


Lit. H. Grapow, Wie die alten Ägypter sich anredeten, wie sie sich grüssten und wie sie miteinander sprachen (Abh. preuss. Akad. Wiss., Phil. hist. Kl. 1939, 11; 1940, 12; 1941, 11; 1942, 7). H. Brunner, Altägyptische Erziehung (Velhagen u. Klasings Monatshefte, 9, 1953, 764-767). E. Otto, Bildung und Ausbildung im Alten Ägypten (ZAeS 81, 1956, 41-48). B. van de Walle, La transmission des textes littéraires égyptiens (avec une annexe de G. Posener; Bruxelles 1948). A. H. Gardiner, The House of Life (JEA 24, 1938, 157-179). A. Volten, Demotische Traumdeutung: Kap. III, Der Schreiber des Lebenshauses (Analecta aegyptiaca 3; Kopenhagen 1942). Ph. Derchain, Le Papyrus Salt 825 (B. M. 10051) (Mém. Acad. roy. Belgique. Cl. des Lettres, Coll. in 8o, 58, fasc. 1a-1b, 2 vol.; Bruxelles 1965).


(E) Voedsel. Het voornaamste voedsel bestond uit brood en meelspijzen. Dat hierin geen eentonigheid heerste blijkt uit de gegevens van het Wörterbuch der ägyptischen Sprache 6, waar s.v. Brot niet minder dan 57 namen van broden worden vermeld en s.v. Gebäck 38 verschillende soorten, waarvan resp. 28 en 25 namen eerst sinds het Nieuwe Rijk bekend zijn (vgl. Gardiner 2, 228*-233* (nos. 508-555)). Daarnaast werd door de lagere klassen van de bevolking waarschijnlijk meer vis dan vlees gegeten. Deze kon gemakkelijk in de Nijl en in de vele kanalen gevangen worden, en wanneer de velden tijdens de overstromingsperiode onder water stonden verschaften de E., zoals dit ook heden ten dage het geval is, zich nog gemakkelijker vis. Het vlees van duiven, van vetgemeste eenden en ganzen en van andere watervogels genoot voorzeker de voorkeur. Rund, schaap, geit en varken konden wegens de bewaringsmoeilijkheid in het warme klimaat slechts geslacht worden voor een talrijke gemeenschap of waar een feest een samenloop van mensen veroorzaakte. Spijstaboe's schijnen bijzonder in het Late Tijdperk ontstaan te zijn (zie sub V. F). Vruchten, waaronder granaatappels, dadels en vijgen, naast allerlei groenten, vormden een belangrijk bestanddeel van het menu. Uien en look werden zeer op prijs gesteld (zie ook Egypte: Flora). Onder de dranken worden water en melk vermeld; het verbruik van bier en wijn was zeer verspreid. Tot de vruchtesappen, wier samenstelling ons niet altijd bekend is, behoorde zeker ook vers druivesap (vgl. Gn 40,11).


(F) Seksualiteit en huwelijk. De teksten en monumenten uit het Oude en Middel-Rijk tonen zich terughoudend in het bespreken of afbeelden van erotische aangelegenheden. Dit heeft evenwel met preutsheid niets te doen, zoals o.a. blijkt uit de afbeelding van de geslachtsorganen van man en vrouw in het hiërogliefenschrift en uit de voorstellingen van de god Min. De E. uit het Nieuwe Rijk namen toch op dit gebied een vrijere houding aan. Toen ontstond het genre van de liefdespoëzie; men schepte er blijkbaar ook behagen in, danseressen en musicerende meisjes naakt af te beelden. Uit die tijd dateert een nog onuitgegeven papyrus van het Museum te Turijn die de minnehandel van een kale priester met een thebaanse schone op een schaamteloze manier uitbeeldt en commentarieert. Homoseksualiteit komt zelden ter sprake en wordt steeds afgekeurd.

Het gezin, dat door het huwelijk tot stand komt, vormt de kern van de egyptische maatschappij. Van een clan, gelijk die bij de primitieve volken bestaat, is geen spoor te vinden. Vandaar dat het egyptisch zeer arm is in het uitdrukken van de verwantschapsverhoudingen.

De Egyptenaar huwde meestal zeer jong en, in de regel, met één enkele vrouw. Deze was de gelijkberechtigde van haar man, wat blijkt uit haar titel nb.t pr (huismeesteres). De bekende gevallen van bigamie of polygamie moeten als uitzonderingen beschouwd worden (zie de tegenspraak tussen Herod. 2.92 en Diod. 1.80.3). Dit neemt niet weg dat de man van gegoede stand een bijzit kon hebben of ook meerdere, meestal onder zijn slavinnen.

De ontrouw van de vrouw werd echter zeer streng, zelfs met de dood, gestraft. Alleen de koning hield, naast de l;un.t nsw.t (wr.t), 'de (grote) koninklijke gemalin', d.i. de koningin, er een harem op na van adellijke favorieten en van vreemde prinsessen. Sommige koningen huwden, waarschijnlijk om dynastische redenen, met hun zuster en er wordt verondersteld dat de ene of andere koning uit de 18e en 19e dynastie, bv. Amenhotep IV, zijn eigen dochter tot vrouw zou genomen hebben. Onder hun onderdanen is het huwelijk tussen broer en zuster, vóór de hellenistische tijd, integendeel, zeer zeldzaam.

Over de wijze waarop het huwelijk juridisch tot stand kwam ontbreken afdoende gegevens. Vaak ging het gepaard met een huwelijkscontract dat de beschikking over de huwelijksgoederen regelde. De bewaarde documenten stammen bijna alle uit hellenistische en romeinse tijd. Ook echtscheidingsacten zijn bewaard. Behalve in geval van ontrouw had de gescheiden of verstoten vrouw recht op een vergoeding. Bij de erfenis waren zonen en dochters gelijkberechtigd. Tenslotte zij gewezen op een soort broederschap dat met vreemden kon gesloten worden door het vermengen van elkanders bloed. Over dit gebruik, dat bij de Semieten bekend was en dat heden nog bij primitieve volken voorkomt, bestaat een egyptisch getuigenis.


Lit. S. Schott, Altägyptische Liebeslieder (Zürich 1950). A. Hermann, Altägyptische Liebesdichtung (Wiesbaden 1959). P. W. Pestman, Marriage and Matrimonial Property in Ancient Egypt, 1 dl. + Indexes (Diss. Leiden 1961). J. Pirenne, Le statut de la femme dans l'ancienne Égypte (Recueils Soc. Jean Bodin. 9. La femme; Bruxelles 1959). R. Tanner, Untersuchungen zur Rechtsstellung der Frau im pharaonischen Ägypten (Klio 46, 1965, 45-81). J. Cerny, Consanguineous Marriages in Pharaonic Egypt (JEA 40, 1954, 23-29). H. Thierfelder, Die Geschwisterehe im hellenistisch-römischen A'gypten (Münster 1960). J. Cerny, Reference to Blood Brotherhood among Semites in an Egyptian Text of the Ramesside Period (JNES 14, 1955, 161-163).


(G) Lijkbezorging. Zie Mummificatie.


(H) Rouw. De voorstellingen in de graven der thebaanse necropool tonen hoe de rouw om een vooraanstaande persoon en zijn begrafenis onder het Nieuwe Rijk verliepen. Bij de gewone burgers werden deze ceremoniën vanzelfsprekend vereenvoudigd en bij de arme mensen tot een minimum herleid. De daartoe gehuurde klaagvrouwen sloegen zich onder veel geschrei en gehuil op het hoofd en de borst en strooiden stof en aarde op haar haren (zie ANEP 638). De begrafenisstoet, voor een deel uit dragers van het grafmobilair bestaande, begaf zich daarna tot aan de Nijl. De mummie werd in een katafalk op een afzonderlijke boot geplaatst en aan weerszijden speelden twee vrouwen onder luid geweeklaag de rol van Isis en Nephthys. Deze boot was tijdens de overvaart omringd door andere boten, waarin de familie, de klaagvrouwen, de dragers van het mobilair en de vrienden en kennissen hadden plaats genomen. Op de westoever werd de stoet opnieuw gevormd. De katafalk werd op een slede geplaatst, die door ossen werd getrokken, terwijl dodenpriesters de kist bewierookten en verzen uit het dodenrituaal reciteerden. Bij het graf aangekomen, voltrokken priesters op de rechtstaande mummie de ritus van het openen van de mond. De weduwe, vóór de dode neergeknield, sprak haar afscheidsgroet uit (ANEP 640). De mummie werd daarna in het graf gedragen en in de sarkofaag neergelegd, het dodenmobilair op zijn rituele plaats gebracht en het graf gesloten. Een gemeenschappelijke dodenmaaltijd besloot de begrafenis.

Er dient natuurlijk met allerlei varianten rekening gehouden te worden. Wanneer bv. het balsemingsatelier op de andere Nijloever lag, had de overvaart vóór de mummificatie plaats en de begrafenisstoet vertrok van hieruit.


Lit. Posener 120. J. Settgast, Untersuchungen zu altägyptischen Bestattungsdarstellungen (Abh. dt. archäol. Inst. Kairo, Ägypt. Reihe 3; Glückstadt 1963). Vgl. S. Schott, Gött. gel. Anz. 218, 1966, 271-304. Marcelie Werbrouck, Les pleureuses dans l'Égypte ancienne. Dessins de Marcelle Band (Bruxelles 1938). E. Lüddeckens, Untersuchungen über religiösen Gehalt, Sprache und Form der ägyptischen Totenklagen (Mitt. dt. archäol. Inst. Kairo 11; Berlin/Wiesbaden 1943). E. Otto, Das ägyptische Mundöffnungsritual (Ägypt. Abh. 3; 2 dln., Wiesbaden 1960).


Egypte