Mummificatie

mummieficatieMummificatie is een van de meest typische en alombekende oud-egyptische gebruiken. Zij had de bewaring van het lichaam tot doel en vindt haar oorsprong in de egyptische opvattingen betreffende het voortleven na de dood (Egyptenaren V, Religie G). In de neolithische tijd waarborgde de begrafenis in het woestijnzand het uitdrogen en, in zekere mate, de bewaring van het lijk. Toen daarna het bijzetten in een grafkamer de gewoonte werd, kon alleen m. tot hetzelfde doel leiden. Na onzekere aanduidingen hierover in de 2e dynastie is het bestaan van de m. van de 4e dynastie af bewezen (bv. de moeder van koning Cheops).

De behandeling, zoals zij door Herodotus 2,86-88 beschreven wordt, is, behoudens enkele details, bevestigd door de studies die door artsen en chemici (o.a. Lucas) aan bewaarde mummies zijn gewijd. Eerst werden de hersenen langs de neus verwijderd en de overblijfselen door inspuiting van zekere producten in de schedel opgelost. Na een insnijding in de buik werden de ingewanden, met uitzondering van het hart, verwijderd. Zij werden met aromata behandeld en in aparte kruiken, de z.g. kanopen (Canopus), in het graf bijgezet. De buikholte, met palmwijn gereinigd, met harsen en reukwerk opgevuld, werd dichtgenaaid en al de openingen van het lichaam met bijenwas luchtdicht gemaakt. Het lijk werd daarna in droge natron (natuurlijk mengsel van koolzure en dubbelkoolzure soda) gelegd. Wanneer het vet verteerd en het vlees volledig gedeshydrateerd was, werd het lichaam gewassen en in lange linnen windsels gewikkeld, die vooraf in verschillende soorten reukwerk (cassia, cinnamomum, henna enz.) waren gedrenkt. Tussen deze windsels werden op bepaalde plaatsen amuletten, soms ook een papyrusrol van het Dodenboek, gelegd. In de Late Tijd werd de mummie nog met beschilderd gips of uit papyrus vervaardigd karton omgeven en van een masker voorzien. Tijdens de romeinse periode werd ook op de plaats van het aangezicht een geschilderd portret van de dode bevestigd.

De m. werd door een hele staf van specialisten uitgevoerd. Hun naam luidt in het egyptisch wt, een woord dat op het inwikkelen in mummiewindsels wijst. Onder hen onderscheidt men: de bewaarder van het geheim van het balsemingsatelier, de kanseliers van de god en de balsemer van Anubis. Het is vermoedelijk deze laatste die op Nieuwe-Rijksafbeeldingen een masker in de vorm van een hondskop draagt. Een voorleespriester reciteerde de delen van het balsemingsritueel die betrekking hadden op elk van de verschillende handelingen. Deze personen, die tot de lagere klassen van de clerus behoorden, werden door de Grieken παρασχίστης of ταριχευτής genoemd. Het eerste woord verwijst naar het openen van de buikholte, het tweede is van een verbum afgeleid dat 'inpekelen' betekent. Naast de beschreven methode bestonden er volgens Herodotus nog twee meer eenvoudige en goedkope.

Tussen het sterven en de begrafenis verliep geruime tijd, waarvan de officiële duur 70 dagen was, hoewel er ook hogere en lagere cijfers vermeld worden. Dit getal had vermoedelijk een kosmische betekenis en stond in verband met de 'decanen' genoemde sterren, die gedurende een ongeveer gelijke periode beneden de horizon verdwijnen: het heet dat zij zich dan in het 'balsemingsatelier' bevinden, vgl. S. Schott, Altägyptische Festdaten (Akad. d. Wiss. u. Lit. Mainz. Abh. d. geistes- u. sozialwiss. KI. 1950, 10, Wiesbaden, 25; 30v). Niet alle doden kregen een eigen graf. Tengevolge van de steeds verder gaande democratisering verspreidde in het Late Tijdperk het gebruik der m. zich zo zeer, dat men moest overgaan tot het aanleggen van massagraven in rotsholten of in voorname begraafplaatsen uit vroegere eeuwen. Voor de identificatie werden de doden dan van een mummie-etiket voorzien, een houten plankje waarop hun naam geschreven stond; dit diende ook voor het transport van de mummie. In de romeinse tijd bestond zelfs de gewoonte de mummies der familieleden rechtstaande tegen de muur in een huiskamer te bewaren.

In het kader van de diercultus, die sinds het Late Tijdperk een grote bloei kende, werden ook de heilige dieren na hun dood gemummificeerd. Zo zijn begraafplaatsen bekend van heilige stieren te Sakkara (Serapeum), van katten te Bubastis en Beni-Hasan, van ibissen bij el-Asjmuneïn-Hermupolis, van rammen op Elephantine en van krokodillen bij Kom Ombo en te Tebtynis. Bij deze laatste vervingen lange stroken van afgedankte papyri soms de linnen mummiewindsels of zij dienden tot opvulling van de mummies. Op die wijze werden belangrijke griekse documenten teruggewonnen.


Lit. RÄR 482-487. A. Hermann (RAC 4, 798-824; vergelijking met andere landen en jongere perioden). A. Lucas, Ancient Egyptian Materials and Industries, 4e ed. door J. R. Harris (London 1962). W. Spiegelberg, Zur Bestattung der Mumien in der römischen Kaiserzeit (ZAeS 66, 1930, 39-41). A. L. Schmitz, Das Totenwesen der Kopten (ib. 65, 1930, 1-25). S. Sauneron, Rituel de l'embaumement. Pap. Boulaq III. Pap. Louvre 5.158 (Le Caire 1952). [Vergote]


Register