Dodenboek

Dodenboek, naam van een verzameling egyptische toverspreuken, op een papyrusrol geschreven, die de dode in het graf meegegeven werd. Deze rol werd in een koffertje geplaatst dat met een beeld van Osiris-Sokaris was versierd of in de lijkkist gelegd, soms ook mee ingewikkeld in de mummiebanden.

boek

Deze magische spreuken zijn een verdere ontwikkeling van de piramideteksten en van de sarkofaag- of lijkkistteksten. De eerste werden op de wanden van gangen en grafkamer gebeiteld in de piramiden van Unas en van koningen en koninginnen van de 6e dynastie. De tweede werden, tijdens het Middel-Rijk, op de lijkkist, soms ook op de wanden van de grafkamer geschreven of geschilderd. De piramideteksten zijn spreuken die de rituële handelingen begeleidden welke de dode koning, na reiniging en mummificatie, een gelukkig voortleven in het hiernamaals moesten verzekeren. Verschillende opvattingen over dit voortbestaan zijn hier te vinden: die van de hemelvaart van de koning naar de zonnegod, of zijn opname onder de hemellichamen naast die van zijn verheerlijking als Osiris. Een hele liturgie heeft betrekking op de offergaven die de dode koning gebracht worden. Bovendien moeten toverspreuken verhoeden dat hij honger of dorst lijdt, hem beschermen tegen allerlei gevaren, o.a. vanwege schadelijke dieren, alsook het graf in stand houden. Deze verzamelingen, die naargelang van de piramiden grote verschillen vertonen, bevatten verder allerlei heterogene teksten, bv. hymnen, fragmenten van een koningsritueel, van een soort oude mysteriespelen enz.

De teksten die van de 11e tot de 17e dynastie op de houten lijkkisten in cursieve hiërogliefen geschreven werden bevatten spreuken die reeds in de pjramiden voorkomen, hetzij letterlijk overgenomen, hetzij in bewerking, dikwijls ook door onkunde verminkt. Daar zij tengevolge van de 'democratisering' voor particulieren dienden is hun verspreiding, zowel in Opper- als Beneden-Egypte, zeer groot. Zij zijn in de 1e persoon gesteld en meestal op zeer concrete en menselijke behoeften van de dode gericht. De themata, o.a. de mythologische, bieden een groter variëteit dan in de piramideteksten. De spreuken worden nu ook voorzien van een naschrift, dat spoedig tot een titel wordt, met de vermelding van haar uitwerking: 'Spreuk om binnen te treden in het schone Westen', 'Verandering in eender welke gedaante' enz. Er zijn ook exemplaren van de papyri bewaard waaruit de spreuken gekozen werden die op de lijkkisten werden aangebracht: P. Berlijn 10482 en drie papyri die aan Gardiner hebben toebehoord en die zich thans resp. in het British Museum, in het Oriental Institute Museum te Chicago en in het Louvre bevinden.

Het d. ontstond eerst onder de 18e dynastie en bleef in gebruik tot in de ptolemaeïsche en romeinse tijd. De spreuken die het bevat zijn een directe voortzetting van die der sarkofaagteksten en, zoals deze, overwegend magisch van aard. Zij bevatten geregeld titels en dikwijls ook naschriften. De honderden exemplaren die ervan bestaan zijn zeer verschillend van inhoud. Zij zijn in cursieve hiërogliefen geschreven, onder de 21e dynastie soms ook in hiëratisch schrift gesteld. Van een eigenlijk 'boek' is er geen sprake. Een onderverdeling en nummering in 'kapittels' werd door R. Lepsius in 1842 ingevoerd in zijn editie van een 'saïtisch', in feite een ptolemaeïsch, d. Zij werd aangevuld door Naville in zijn uitgave van d.en van het Nieuwe Rijk. De titel van het d. luidt steeds 'Spreuken voor het uitgaan overdag' en hij bewijst zodoende het osiriaans karakter, in deze tijd, van de voorstellingen betreffende het leven na de dood. Toch bevat het kap. 15 nog verschillende hymnen aan de zonnegod. Kap. 6 geeft aan de usjebti (of sjawabti) opdracht, de vroondiensten in de plaats van de dode te verrichten (mummificatie).

Tot de vele nieuwe elementen die het d. bevat behoort de 'negatieve zondenbelijdenis' van kap. 125: de dode bevestigt hierbij dat hij allerlei zonden niet bedreven heeft. Hieruit spreekt een hoge morele opvatting van het leven. Maar het tweede deel, waarin de dode zich tot de 42 dodenrechters wendt, vertoont een sterke magische inslag. Onder de vignetten die de spreuken van het d. op magische wijze kracht moeten bijzetten (ten dele reeds voorkomend in de sarkofaagteksten) is er vaak een dat bij dit kapittel hoort en dat het dodengericht of de psychostasie afbeeldt: de dode staat vóór Osiris en zijn hart wordt door Anubis op een balans gewogen tegen de pluim, die Maat, de kosmische orde, verzinnebeeldt. Thot neemt het ambt van schrijver waar, terwijl een monster met krokodilkop zich gereed houdt om hem die schuldig bevonden wordt te verslinden (afb. ANEP nr. 639).


Lit. RÄR 620-623; 669v; 824-828. Helck/Otto, 288v: 309-311; 380 v. J. Spiegel, Die Idee vom Totengericht in der ägyptischen Religion (Leipz. ägypt. Stud. 2; Glückstadt 1935). J. Yoyotte, Sources orientales 4: Le jugement des morts (Paris 1961).
Uitgaven: K. Sethe, Die altägyptischen Pyramidentexte 1-4 (Leipzig 1908-1922). A. de Buck, The Egyptian Coffin Texts 1-7 (Chicago 1935-1961). R. Lepsius, Das Todtenbuch der Ägypter. Nach dem hieroglyphischen Papyrus in Turin (Leipzig 1842). E. Naville, Das ägyptische Todtenbuch der XVIII. bis XX. Dynastie (Berlin 1886). Een der meest recente uitgaven: T. G. Allen, The Egyptian Book of the Dead Documents in the Oriental Institute Museum at the University of Chicago (Chicago 1960).
Vertalingen: K. Sethe, Übersetzung und Kommentar zu den altägyptischen Pyramidentexten 1-4 (Glückstadt 1935-1939). L. Speleers, Traduction, index et vocabulaire des Textes des Pyramides égyptiennes (Bruxelles 1935). S. Mereer, The Pyramid Texts in Translation and Commentary (New York 1952). L. Speleers, Textes des cercueils du Moyen Empire égyptien (Bruxelles 1947: vert. van Coffin Texts 1-2). G. Roeder, Urkunden zur Religion des Alten Ägypten (Jena 1915) 224-296 (met verwijzing naar oudere vertalingen). P. Barguet, Le livre des morts des anciens Égyptiens (Litt. anc. du Proche Orient; Paris 1967). [Vergote]


Lijst van Goden