Ka

Ka, een van de twee levensbeginselen van de mens, volgens de Egyptenaren, waarvan het andere de ba is. Dit zeer ingewikkelde begrip wordt nu meer en meer geïnterpreteerd als zijnde de levenskracht, de vitaliteit van het individu. De egyptische teksten stellen het soms voor als een geheel van vermogens, eveneens k.'s genoemd, en die gepersonifieerd worden onder de vorm van 7 genii met hun 7 gezellinnen, de hms.wt. Van Re en van de koning wordt gezegd dat zij 14 k.'s bezitten, nl. de kracht, de macht, de eer, de voorspoed, het voedsel, de levensduur, het uitstralingsvermogen, de luister, de roem, de toverkracht, de scheppende wil, het gezicht, het gehoor en het inzicht. De koning regeert door zijn k.; hierop steunt zijn koninklijke macht. Zijn vitaliteit deelt zich mee aan zijn onderdanen en conditioneert hun levenskracht. Hij is daarom niet alleen verantwoordelijk voor het materiële en morele welzijn van zijn volk; hij moet ook instaan voor het normale verloop der jaargetijden, de vruchtbaarheid van de bodem, het voortplantingsvermogen van mannen en vrouwen, de vrijwaring van ziekten enz. Soortgelijke opvattingen leven nu nog bij schriftloze volken voort, zie bv. Pl. Tempels, Bantoe-Filosofie (Kongo-Overzee Bibliotheek 4, Antwerpen 1946) 34 (= La philosophie bantoue (Présence africaine. Collection, Paris 1949). Het z.g. hb-sd of Sed-feest heeft blijkbaar tot doel de vitaliteit van de koning periodiek te hernieuwen.

De k. bestaat zelfstandig en verbindt zich met het individu. De voorstellingen van de geboorte van Hatsjepsut (Deir el-Bahri) en van Amenhotep III (tempel van Luxor) tonen hoe Chnum op de pottenbakkersschijf twee gelijke gedaanten boetseert: de pasgeboren koning(in) en de k. Daaruit ontstond de theorie van Maspero, die de k. als een soort dubbelganger of beschermgeest van het individu beschouwde. Door de begrafenisriten wordt de levenskracht die het lichaam verlaten heeft er weer mee verenigd. Daarom wordt van de dode gezegd dat hij 'naar zijn k. gaat' of 'met zijn k. gaat'. Het graf en de dodenpriester worden resp. 'kasteel van de k.' en 'dienaar van de k.' genoemd. De offers worden 'aan de k.' van de grafeigenaar gebracht; deze voedt zich aan de levenskracht of k. van de spijzen en dranken. Hetzelfde gebeurt met de god tijdens de eredienst in de tempel. Vandaar wellicht dat ook de spijzen k. genoemd worden.

De nadruk die onder het Oude Rijk op de k. gelegd wordt, gaat onder het Nieuwe Rijk grotendeels over op de ba. Het levensbeginsel dat aanvankelijk in zijn verband met de clan, als een soort zielestof van het ras werd gezien, schijnt zodoende de plaats te ruimen voor een individualistische opvatting.


Lit. RA'R 357-362; 363-364. J. Vandier, La religion égyptienne (Coll. 'Mama' 1,1; Paris 1944, ²1949), 123vv. Liselotte Greven, Der Ka in Theologie und Königskult der Ägypter des Alten Reiches (Ägyptol. Forsch. 17; Glückstadt 1952). Ursula Schweitzer, Das Wesen des Ka im Diesseits und Jenseits der alten A'gypter (Ägyptol. Forsch. 19; Glückstadt 1956). [Vergote]


Lijst van Goden