
Berseba (hebreeuws be'ēr-šeba': bron van de zeven,
bron van overvloed of bron van de eed). In Ga
21,22-34 wordt de naam zowel met het getal 7 als
met het zweren van de eed in verband gebracht. B.
moet een plaats met een heiligdom geweest zijn,
waarheen de Israëlieten nog ten tijde van Amos
optrokken (Am 5,5). Behalve Abraham, hebben
ook Izaäk (Gn 26,23) en Jakob (Gn 46,1) in B. vertoefd
en er offers gebracht. Omdat de plaats ten
tijde van David de zuidelijkst gelegen vesting van
het rijk was, ontstond de uitdrukking 'van Dan tot
B.' (Ri 20,1 enz.) om de lengte van het gehele land
te beschrijven. B. was in de traditie ook bekend omdat
de zonen van Samuël
hier als richters optraden
(1Sm 8,3) en Elia
op zijn vlucht naar de woestijn
de stad aandeed (1Kg 19,3). Ook na de ballingschap
werd B. door de teruggekeerden bewoond (Neh 11,
27 en 30).
Lit. A. Barrois (DBS 1, 963-968). - Abel 1, 307; 2, 263.
Simons blz. 549. W. Zimmerli, Geschichte und Tradition
vom Beerseba im A.T. (Giessen 1932). J. Perrot, Récentes
fouilles en Palestina (CRAIL 1956, 212-222; 1959, 133-141;
1960, 37v [Le Vénus de B.]). Id. (RB 67, 198), 253-255). Id.,
Les fouilles d'Abou-matar près de Beerseba (Syr 34, 1957,
1vv; 36, 1959, 8-19). H. Haag, Erwägungen über Beer-seba
(Sacra Pagina 1, Paris 1959, 335-345). [Beek]