Eden (hebreeuws 'ēden):
(1) E. is in de samenstelling 'tuin in Eden' volgens Gn 2, 8 het gebied, dat aan de eerste mens werd toevertrouwd om het te onderhouden. De naam komt van het akkadisch edinnu en het sumerische e-din, waaronder de bewoonbare steppegrond in onderscheid van de woestijn verstaan werd. Gn 2, 10vv duidt de geografische ligging aan door het noemen van vier rivieren: Eufraat en Tigris, Gihon en Hevila.
De laatste twee zijn niet te identificeren, waarschijnlijk is het de bedoeling van de schrijver te zeggen dat de hele aarde van E. uit bevloeid wordt. De mens, ongehoorzaam aan een duidelijk uitgevaardigd gebod, at de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad en werd uit de hof verdreven. Hem werd voor goed de toegang tot de boom des levens versperd, en zo was hij aan de vergankelijkheid prijsgegeven.
In het hebreeuws werd het woord E. verstaan als 'lust' (Is 51, 3; Joël 2, 3) en in die zin maakt Ezechiël melding van E. (31, 9. 16. 18) en spreekt Sir 40,27 van een gezegende Iusthof. Hieruit is te verklaren dat de LXX de tuin in E. heeft weergegeven als παράδεισος (Vg paradisus). De LXX heeft met zijn vertaling aan een profaan woord voor 'park' een godsdienstige betekenis gegeven.
In de latere joodse literatuur wordt op drie wijzen
over de tuin E. gesproken: de woonplaats van de
eerste mens volgens Gn 2, 8vv, het paradijs der zielen,
waar de ontslapen rechtyaardigen voorlopig verblijven,
en het paradijs van de eindtijd, dat na opstanding
en laatste gericht aan de uitverkorenen
wordt geschonken. De beschrijving van deze verblijfplaats
is aanvankelijk terughoudend, maar wordt in
de loop van de tijd steeds gedetailleerder. Om tot uitdrukking
te brengen dat de beloning der rechtvaardigen
van het begin af aan in het goddelijk plan is
opgenomen spreekt men over de preëxistentie van de
tuin E. De voorstellingen, die men zich maakte zijn
beïnvloed door de leer van de onsterfelijkheid der
zielen, die beloning en straf tegemoetgaan.
Lit. Th. C. Vriezen, Onderzoek naar de paradijsvoorstelling
bij de oude semitische volken (Wagenïngen 1937). H. Strack/
P. Billerbeck, Commentar zum N.T. zus Talmud und Midrasch,
2, 1118-1165.
(2) E., een landstreek onder assyrische heerschappij
(2Kg 19, 12 = Is 37, 12), waarvan de bewoners
handel dreven met Tyrus
(Ez 27, 23). Dit E. is het
assyrische Bit-Adini, sinds 884 vC vermeld in assyrische
annalen, in 855 vC door
Salmanassar III onderworpen.
Het gebied, in het noorden van Mesopotamië
aan weerszijden van de Eufraat, was de zetel van
de dynastie Adini en is hiernaar genoemd.
Lit. Honigmann (RLA 2, 33v).
[Beek]