Tyrus

kaartTyrus (Τύρος), latijnse en griekse weergave van de semitische naam (OT sōr LXX Σορ; akkadisch surru) van de belangrijke phenicische havenstad die gelegen was ca. 35 km ten zuiden van de andere belangrijke phenicische stad Sidon en ca. 75 km ten zuidzuidwesten van het moderne Beiroet. De moderne arabische naam is sur.

(I) Ligging en opgravingen. T. lag oorspronkelijk op een 1600 m lang eiland voor de kust, maar is daarmee sinds de tijd van Alexander de Grote verbonden. Het eiland zelf zou aanvankelijk bestaan hebben uit twee rotsen, die volgens de legende door een olijfboom verbonden waren; Flavius Josephus (Ap. 1 113) bericht de aaneensluiting van de twee delen ten tijde van koning Hiram I. De op de kust van het vasteland gelegen zusterstad Usu - waarschijnlijk identiek met het grieks-romeinse Παλαίτυρος (Tyrus vetus) - was belangrijk met het oog op de bevoorrading; speciaal water vormde oudtijds een probleem, maar sedert de 13e eeuw vC was men in staat water m bepleisterde cisternen te bewaren, hetgeen de onafhankelijkheid aanmerkelijk vergrootte. T. kende twee havens. De noordelijke of Sidon-haven, een natuurlijke inham, lag binnen de verdedigingswerken en kon afgesloten worden, de zuidelijke of egyptische haven was open; de laatste is vermoedelijk in de 9e eeuw vC aangelegd en kan op luchtfoto's nog getraceerd worden.

kolonnadeOpgravingen zijn in T. verricht door E. Renan 1860v), Th. Macridy Bey (1903), D. Le Lasseur 1921), A. Poidebard (1934-1936), M. Chéhab 1947-1975) en P. Bikai (1973v). Poidebard kon de juiste ligging van de zuidelike haven vaststellen. Door Chebab werden in het zuidoostelijke stadsdeel aanzienlijke resten van het hellenistische, romeinse en byzantijnse T. aan het licht gebracht, o.m. van een straat met kolonnades (foto rechts), die de twee havens verbond, alsmede een uitgestrekte necropool met honderden sarcofagen. De bewoningsresten van de prehellenistische periode konden tengevolge van het vele puin van de bebouwing uit later tijd nog nauwe lijks onderzocht worden; het onderzoek van P. Bikai leverde op een klein terrein in het midden-westen van de stad een sequentie van woonlagen en aardewerk op die vooral voor de oudere perioden van groot belang is; op één punt wist Bikai tot op de oorspronkehjke rotsbodem door te dringen. De Unesco overweegt T. de status van internationaal cultuurmonument te verlenen.

(II) Geschiedenis.

1. De bronstijd. Reeds rond het midden van het 3e millennium vC was het eiland bewoond, een tijd die min of meer in overeenstemming is met de nooit erg serieus genomen stichtingsdatum die Herodotus (2, 44) vermeldt: ca. 2750 vC. Een belangrijk gebouw wijst op permanente bewoning gedurende de vroege bronstljd (tweede helft 3e millennium). Of de stad al in de archieven van Ebla Tell Mardikh) genoemd wordt (Sa-a-ruki en varianten) blijft evenals de omstreden vermelding van vele andere bekende toponiemen, voorlopig dubieus.

Uit de midden-bronstijd (eerste helft 2e millennium) n)n binnen het onderzochte gebied geen sporen van bewoning aangetroffen; de interpretatie van een passage m een egyptische vervloekingstekst uit de 19e eeuw vC als betrekking hebbend op de heerser van T. wordt daarmee nog twijfelachtiger dan zij al was. Enkele belangrijke teksten uit de late bronstijd werpen licht op de geschiedenis van ca. 1350 tot ca. 1175 vC, nl. de Amarna-brieven en de brieven die gevonden zijn te Ugarit. De eerste groep omvat o.m. tien brieven van koning Abimilki van T. aan zijn meester, pharao Echnaton (midden 14e eeuw), en diens dochter Meritaten. Abimilki verzoekt om bijstand tegen de koningen van Sidon en Amurru, die blijkbaar trachtten T. binnen hun invloedssfeer te brengen; door de inname van Usu waren de Tyriërs verstoken van hout, water en voedsel. Brieven gevonden te Ugarit, maar akomstig uit T. dateren uit de 13e en 12e eeuw; ze betreffen zaken van locaal belang, o.a. de handel per schip. Een administratieve lijst uit Ugarit noemt naast mensen uit Arvad, Askelon en enkele andere kustplaatsen ook een man uit T. (su-ri-yu; R(as) S(hamra), inventaris-nummer 19.42 = Palais Royal d'Ugarit 6, 79). Gedurende deze hele periode is T. waarschijnlijk steeds binnen de egyptische invloedssfeer gebleven; de stad wordt ook in egyptische teksten enkele malen vermeld, o.a. in Papyrus Anastasi I (ANET2 477), die de geografie van de Levant beschrijft.

De archeologische resten van de late bronstijd beslaan vijf woonlagen,, waarvan de laatste verwoestingssporen vertoont. Daar deze laag samenvalt met het einde van de late bronstijd, kan men concluderen dat T. evenals zoveel andere steden in het begin van de 12e eeuw ten prooi viel aan de Zeevolken, waarvan de activiteiten ons zo levendig in te Ugarit gevonden brieven geschilderd worden.

2. Tyrus van ca. 1100 tot 333 vC. De ijzertijd toont ons T. zoals we het ook kennen uit het OT: de stad van Hiram, de leidende haven aan de phenicische kust (vgl. Ez 26-28) en de stichter van talloze koloniën aan de Middellandse-Zeekust . Na de verwoesting door de Zeevolken zou T. volgens Iustinus en Flavius Josephus herbouwd zijn door inwoners van Sidon. Hoe het ook zij, de vondsten laten muren zien die volgens het oude plan herbouwd waren; daarmee suggereren ze slechts een korte onderbreking in de bewoning. Aan de hand van het OT en van assyrische inscripties, maar vooral dank zij de beschrijving van Flavius Josephus, die oudere bronnen - o.a. Menander van Ephese - citeert, laat de historie van T. in deze eeuwen zich vrij gedetailleerd beschrijven.

Van de oudste koning, Abibaäl, weten we weinig meer dan dat hij leefde aan het begin van de 10e eeuw vC en een tijdgenoot van David was. Vermoedelijk is onder zijn bewind de tyrische kolonisatie van met name Cyprus begonnen: zijn zoon Hiram I was genoodzaakt een rebellie in Citium (?) te onderdrukken.

De 'gouden eeuw' van T. - in wezen drie eeuwen omvattend - ving aan met Hiram I. Onder zijn regering overvleuglde de stad haar rivalen Sidon en Byblos en werd het belangrijkste handelscentrum van het Middellandse-Zeegebied. Hiram ontwikkelde ook grote bouwactiviteiten: hij liet tempels herbouwen, o.a. voor Melkart en Astarte, en voegde de beide eilanden waarop T. gebouwd was aaneen. Met de belangrijkste koning van het achterland, Salomo van Israel, sloot hij een verbond: hij leverde materialen en handwerkslieden voor de bouw van de tempel in Jeruzalem en ontving in ruil daarvoor enige steden in Galilea.

Verder rustte hij met Salomo schepen uit voor lucratieve tochten naar Ophir en werd Salomo's schoonvader. De territoriale pretenties van T. bleven bescheiden; alleen de kuststrook tot aan de berg Karmel in het zuiden en mogelijk tot Sidon in het noorden behoorde tot de stad ten behoeve van haar veiligheid en economische groei.

Hirams politiek werd voortgezet door zijn zonen (?) en opvolgers Baäl-eser en Abdastratus. Met de vestiging van versterkte handelsposten in het Middellandse-Zeegebied werd doorgegaan; wat betreft het achterland valt echter een accentverschuiving van Israel naar Aram-Damascus te constateren, dat nu de machtigste staat was. Abdastratus werd vermoord ca. 910 en gedurende 22 jaar werd het bewind achtereenvolgens door drie broers, moordenaars van Abdastratus, gevoerd. Daarna besteeg Ethbaäl de troon en regeerde 32 jaar; mogelijk was hij van Hirams huis, in elk geval bekleedde hij het ambt van priester van Astarte. Onder deze komng beleefde het overwicht van T. over zijn buren een hoogtepunt: Ethbaäl wo;dt in het OT'koning der Sidoniërs (= Pheniciërs)' genoemd, hetgeen wordt opgevat als een bewijs van Tyrus' macht. Deze situatie hield stand tot het einde van de 8e eeuw vC, toen Sidon als zelfstandig koninkrijk terugkeerde. Het is mogelijk dat onder Ethbaäls regering de zuidelijke of egyptische haven tot stand kwam. Verder is de koning vooral bekend door het huwelijk van zijn dochter Izebel met koning Achab van Israel Achabs afvalligheid ten gunste van de tyrische god Melkart.

Ten tijde van Pygmalion, die misschien een achterkleinzoon van Ethbaäl I was, vluchtte volgens griekse en romeinse bronnen diens zuster Elissa of Dido na de moord op haar echtgenoot Zakarbaäl (latijn: Sicharbas of Sichaeus) uit T. en bereikte, vergezeld van een aantal aristocraten, via Cyprus Noord-Afrika. Daar zou zij volgens Timaeus in 814 vC Carthago gesticht hebben.

Na Pygmalions dood begon de assyrische koning Tiglatpileser III (744-727) zijn veroveringstochten en onder zijn tribuutplichtigen treffen we ook Ethbaäl II en Hiram II van T. aan. De laatste wordt ook genoemd in een inscriptie op een koperen schaal uit Cyprus, de enige vermelding van een koning van T. in een contemporain (tyrisch) document. Ondanks zijn betrokkenheid bij de rebellie van Rezin van Damascus en Pekach van Israel tegen Tiglatpileser werd hij blijkbaar gespaard: hij betuigde zijn aanhankelijkheid aan de assyrische koning door het kussen van diens voeten. Dit is overigens kenmerkend voor de verhouding der Assyriërs tot T.: de stad werd nooit een assyrische provincie, mogelijk doordat Tyrus onafhankelijke handelspositie de oosterburen meer opleverde dan haar incorporatie in het rijk.

Na de korte regering van Mattan II kwam Eloulaios op de troon. Reeds vroeg in zijn regering had T. een beleg door de assyrische koning Salmanassar V (726-722) te doorstaan; ook de andere phenicische steden Sidon, Arvad en Palaityrus hadden zich aan de zijde der Assyriërs geschaard. Na de aftocht der Assyriërs echter waren de Tyriërs weer snel in hun vroegere machtspositie, blijkens de succesvolle expeditie die Eloulaios ondernam tegen het rebellerende Citium op Cyprus. Evenwel, tijdens Salmanassars tweede expeditie tegen Syrië en Israel, waarbij Samaria werd veroverd, sloegen de Assyriërs het beleg voor het eiland en bleven vijf jaar in Usu.

Enige te Nimrud gevonden brieven, die waarschijnlijk in deze periode te dateren njn, lijken op het beleg te zinspelen. Het onder Salmanassar V begonnen beleg kwam (na onderhandelingen?) onder Sargon II tot een eind zonder noemenswaardige veranderingen in de status quo; T. was binnen korte tijd weer meesteres van de phenicische kust. Onder Sargons opvolger Sanherib (705-681) kwamen de westelijke landen echter opnieuw in opstand en in zijn derde jaar bezette Sanherib Phenicië, daarbij verwelkomd door het anti-tyrisch gezinde Sidon Eloulaios (Luli in Sanheribs annalen) wachtte blijkbaar de komst der Assyriërs niet af, maar vluchtte naar Citium. Als gevolg van dit alles werd Sidon weer een zelfstandig;e stad met een eigen koning (Ethbaäl) en werd Tyrus' gebied beperkt tot het eiland en de onmiddellijke omgeving. Mogelijk heeft Jesaja's profetie over T. (Js 23) betrekking op deze gebeurtenissen.

Onder Asarhaddon (681-669), Sanheribs opvolger, vinden we Baäl I als koning over T.; hij stond aan het hoofd van een groep onafhankelijke vorsten, waarvan '22 koningen van Hatti, de zeekust en de eilanden' deel uitmaakten. Onder hen treffen we ook Manasse van Juda aan. Na een rebellie van Abdimilkutti van Sidon en diens onthoofding door Asarhaddon werd het zuidelijke gebied van deze stad bij T. gevoegd. Blijkbaar op instigatie van de egyptische koning Taharka kwamen de 22 hattische (syrische) koningen met Baäl I van T. in opstand. Deze werd echter door Asarhaddon na zijn succesvolle egyptische veldtocht van 671 vC neergeslagen. Met Baal werd een vazalverdrag gesloten en een assyrische gouverneur werd aangesteld. Het vasteland werd T. ontnomen. In deze periode viel ook de accentverschuiving binnen het maritieme 'rijk' van T.; Carthago nam de suprematie geleidelijk over, een stap die vooral van belang was met het oog op de toenemende griekse kolonisatie in het westen van de Middellandse Zee. De onafhankelijkheid van Carthago zou echter pas tijdens het beleg van T. door Nebukadnesar II haar beslag krijgen.

Tijdens een succesvolle opstand van Taharka's neef Tanuatamun in 664 vC was Baäl klaarblijkelijk opnieuw op egyptische hand, want na de herovering van Egypte door Asarhaddons zoon en opvolger Assurbanipal (668-631) sloeg de assyrische vorst het beleg voor T. Baäl koos echter eieren voorzijn geld: hij onderwierp zich aan de Assyriërs en hij en zijn familie werden gespaard. Wel werd het vasteland tot de assyrische provincie Surru getransformeerd. Pas na de ondergang van het assyrische rijk (612 vC) kreeg T. weer vaste voet op de kust en werd het opnieuw de belangrijkste stad van Phenicië. Nadat de restanten van het assyrische rijk en hun egyptische bondgenoten door Nebukadnesar II (605-562) van Babylon verslagen waren, breidde deze koning zijn macht naar het westen uit en sloeg het beleg voor T., dat een vriendschappelijke relatie met pharao Wahibre onderhield. Het beleg zou dertien jaar - van ca. 585 tot ca. 572 - geduurd hebben, het langste dat van T. bekend is, en werd met succes doorstaan onder leiding van koning Ethbaal III; waarschijnlijk doelt de profeet Ezekiel op dit beleg. Beide partijen kwamen uiteindelijk tot een vergelijk, waarbij koning Ethbaäl met zijn familie naar Babylon gedeporteerd werd en een nieuwe koning Baal II, de troon besteeg. Na diens dood traden gedurende een interregnum 'rechters' (suffeten?) qp, die bijgestaan werden door een babylonische magistraat, een šandabakku.

De koning;en keerden terug onder Neriglissar van Babylon (560-556); in 556 besteeg Baäleser III de troon. Na zijn dood - hij regeerde slechts kort werd Mahar-baäl uit Babylon gehaald om hem op te volgen, een bewijs dat de koninklijke familie nog steeds in Babylon verbleef. Op dezelfde wijze kwam na Mahar-baäl diens broer Hiram III aan het bewind.

Lijst van de koningen van T. van ca. 1000 tot 532 vC (naar Katzenstein, wiens spelling van de namen in dit artikel gevolgd is):

Abibaäl? -970
Hiram I 969-936
Baäl-eser I935-919
Abdastratus918-910
Methusastartus909-898
Astarymus897-889
Phelles888
Ethbaäl I887-856
Baäl-azor II855-830
Mattan I829-821
Pygmalion820-774
Ethbaäl II750-740(?)
Hiram II739-730
Mattan II730/729
Eloulaios729-694
Baäl I680-660 (?)
Ethbaäl III591/590-573/572
Baäl II573/572-564
Iakinbaäl (rechter)twee maanden
Chelbes (rechter)acht maanden 564/563
Abbar (rechter)drie maanden
Mattan II en Ger-asthart (rechters)562-557
Baäl-eser III556
Mahar-baäl555-552
Hiram III551-532
Nadat de Pers Cyrus het nieuwbabylonische rijk veroverd had (539 vC), bleven tijdens de perzische overheersing in T. vazalkoningen op de troon, onder toezicht van een perzische commissaris. T., dat bij de vijfde satrapie, Syrië, werd ingedeeld, bewees, evenals de overige Pheniciërs, de perzische koningen en satrapen belangrijke diensten door hun grote vloten en maritieme kennis ter beschikking te stellen; daarvoor werd de stad rijkelijk beloond, o.m. met gebiedsuitbreiding op de kust. In 350 nam T. deel aan de opstand van de phenicische steden tegen het perzische bewind; Sidon werd vernietigd, maar T. onderwierp zich tijdig. Noch voor de Assyriërs noch voor de Babyloniërs noch voor de Perzen was de stad inneembaar gebleken. Aan Alexander de Grote zou het echter in 332 vC gelukken deze traditie te doorbreken; na een beleg van zeven maanden slaagde hij erin de stad te veroveren met behulp van schepen van andere phenicische steden en door het aanleggen van een 60 m brede dam, die het eiland in de daarop volgende eeuwen door gestage aanslibbing tot schiereiland heeft gemaakt. 8000 Tyriërs zouden in de strijd het leven verloren hebben, 2000 na de verovering aan het kruis geslagen, 30.000 als slaaf verkocht zijn. Koning Azemilkos en de hoogste magistraten van de stad werden begenadigd.
kaart

3. De hellenistische, romeinse en byzantijnse periode (332 vC - 638 nC). In de woelige decennia na de dood van Alexander (323 vC) wisselde T., dat weldra herbouwd en opnieuw bevolkt werd, o.a. door macedonische kolonisten, herhaaldelijk van soeverein (Laomedon, Attalus, Ptolemaeus, Antigonus, Demetrius). Van ca. 290 tot 198 vC was het, met de rest van Phenicië, vnjwel onafgebroken schatplichtig aan Egypte; in 275 vC werd het koningschap in de stad afgeschaft en werd zij een republiek. De overwinning van Antiochus III (de Grote op Ptolemaeus V in de vijfde syrische oorlog 202-195?) bracht T. weer onder het oppergezag der Seleuciden, hetgeen een snelle hellenisering ten gevolge had. Hoewel het door Alexander de Grote gestichte Alexandrië in Egypte en de nieuwe syrische havensteden Seleucia en Laodicea snel in betekenis toenamen, bleef T. een welvarend handels- en industriecentrum, dat een grote mate van autonomie behield en weer uitgestrekte gebieden op het vasteland bezat.

In 64 vC werd de stad door de romeinse veldheer Pompeius bezet en ingedeeld bij de nieuwe romeinse provincie Syria; ook nu bleef T. een vrije civitas foederata.

boogNadat het herhaaldelijk betrokken was geweest bij de romeinse burgeroorlogen van de le eeuw vC, braken onder keizer Augustus rustiger tijden aan. Van de grote welvaart gedurende de gehele keizertijd getuigt vooral de architectuur, waarvan indrukwekkende overblijfselen aan het licht gebracht zijn: behalve de reeds genoemde boulevard met kolonnades, mozaïeken en beeldhouwwerken, zijn o.m. een feesthal (?), een circus (foto rechts), een grote triomfboog (thans gerestaureerd; foto links), thermen en een byzantijnse basilica gevonden; de rijkdom blijkt ook uit de necropolen.

Op het eind van de 2e eeuw werd T. hoofdstad van de nieuwe provincie Syria Phoenice en ontving het van Septimius Severus de status van colonia (T. Colonia Septimia Severa Metropolis). Dezelfde keizer beloonde de stad vorstelijk voor haar steun bij zijn strijd tegen de tegenkeizer Pescennius Niger die in T. een gruwelijk bloedbad had aangericht. Alle bronnen doen ons geloven dat T., dat ook de romeinse oorlogsvloot in het oosten van de Middellandse Zee tot basis diende, tot in de 7e eeuw een doorgaans onp;estoorde welvaart heeft genoten, zelfs nadat het in 501 door een zware aardbeving getroffen was. Nadat de stad in 635 door de Arabieren ingenomen was, wist zij zich nog eenmaal vnj te vechten, maar in 638 viel zij definitief in arabische handen door een list. Nadat zij vanaf 1124 een der sterkste bolwerken van het kruisvaarderskoninkrijk Jeruzalem geweest was, werd zij in 1291 door de turkse Mamelukken veroverd en verwoest; de bevolking werd deels uitgemoord deels als slaaf verkocht. Het stadje dat op de bouwvallen verrees en thans 12.000 mwoners telt, diende sindsdien hoofdzakelijk als steengroeve.

(III) Zijn grote betekenis gedurende meer dan twee millennia had T. te danken aan zijn ligging, zijn handel en zijn industrie. Als handelscentrum onderhield het relaties met alle windstreken, te land en ter zee, en werd het de moederstad van kolonies op Cyprus, en in het westen van Gades, Utica en Carthago. Zijn industrie omvatte scheepsbouw, metaal- en glasbewerking en textielnijverheid, maar bovenal was T. het voornaamste centrum van de phenicische fabricage van purperverf (uit de purperslak, murex), een gezocht en profijtelijk exportproduct. Beroemde zonen van T. waren in de hellenistische en romeinse tijd de dichter Antipater (die lang in Sidon werkzaam was), de retor Maximus, de geograaf Marinus, de jurist Ulpianus en de filosoof Porphyrius.

(IV) Godsdiensten. De voornaamste in T. vereerde goden van het phenicische pantheon (Phenicië) waren de stadsgod Melkart ('koning der stad'), wiens cultus zich over het hele Middellandse-Zeegebied verbreidde en die door de Grieken en Romeinen met Heracles/Hercules geïdentificeerd werd, de vruchtbaarheidsgodin Astarte of Asjera, en de met Zeus Olympius vereenzelvigde hemelgod Baäl-Samem. De reeds door Herodotus (2, 44) vermelde Melkart-tempel moet een van de rijkste van Azië geweest zijn. De verering van deze goden heeft, evenals het gebruik van de phenicische taal, in T. tot ver in de keizertijd stand gehouden.

Al vroeg bestond in T. een jodengemeente, die herhaaldelijk aan hevige vervolgingen bloot stond. Mensen uit de streek van T. en Sidon worden in het NT genoemd als toehoorders van Jezus (Mc. 3, 8); volgens Mt 15, 21-28 bezocht Jezus ook zelf die streek. In de stad T. ontstond al voor 55 een christengemeente; daar was de apostel Paulus op een van zijn reizen zeven dagen te gast (Hand 21, 3-6). In de 2e eeuw zetelde er al een bisschop, in de 3e een metropoliet. Een van de slachtoffers van de christenvervolgingen, die ook in T. woedden, was Origenes; deze overleed er in 253 aan de gevolgen van folteringen. Ook de leerstellige twisten van de 4e en 5e eeuw (Syrië IV, 4) lieten de stad niet onberoerd. In 335 werd er de synode gehouden, die Athanasius uit zijn ambt ontzette. Rond dezelfde tijd zouden twee Tyriërs met de missionering van Ethiopië begsnnen zijn.


Lit. O. Eissfeldt (PRE 7A, 1876-1908). M. Adamasi (EAA 7, 877-879). W. L. MacDonald (Princeton Encyclopedia of Classical Sites, Princeton 1976, 944). - W. B. Fleming, The History of T. (New York 1915). A. Poidebard, Un grand port disparu: Tyr (Paris 1939). F. Bruin, Royal Purple and the Dye Industnes of the Mycenaeans and Phoenicians (in American University of Beirut Festival Book, 1967, 295-325). M. Chéhab, Sarcophages à relief de Tyr (Bulletin du Musee de Beyrouth 21, 1968, 10-11). H.J. van Dijk, Ezekiel's Prophecy on Tyre. A new approach (Rome 1968). J. B. Ward-Perkins, The Imported Sarcophagi of Roman Tyre (Bulletin du Musee de Beyrouth 22, 1969, 109-145). N. Jidejian, Tyre through the Ages (Beirut 1969). H.J. Katzenstein, The History of Tyre, from the Beginning of the second millennium B.C.E. untill the fall of the Neo-Babylonian Empire in 538 B.C.E. (Jeruzalem 1973). J.-P. Rey-Coquais, Inscriptions grecques et latines découvertes dans les fouilles de Tyr (1963-1974) 1. Inscriptions de la nécropole (Paris 1977). P. M. Bíkai, The Pottery of Tyre (Warminster 1978). - Periodieke opgravingsverslagen van M. Chthab in Syria 9vv, 1948vv. [van Soldt/Nuchelmans]


Kaart