
Guti (Gutiërs; Kutheeën), volk dat Babylonië
overheerste van het einde van de Akkad-tijd tot het door
Utuhegal van Uruk verdreven werd. Er is weinig
over deze vermoedelijk uit een niet nader te bepalen
plaats in de Zagros afkomstige stam bekend.
Hun koning Eridupizir maakte zich vermoedelijk
reeds aan het einde van de regering van
Naram-Sin
van Akkad meester van de macht in grote delen van
Babylonië (ca. 2130 vC). Een rest van het rijk van
Akkad wist zich echter nog moeizaam enige tijd te
handhaven. Vermoedelijk heeft de macht van de G.
zich nooit over het zuiden van Mesopotamië uitgestrekt,
waar Uruk, Ur, Lagas en vermoedelijk ook
Umma een grote mate van zelfstandigheid bleven
genieten. Adab, direct noordelijk hiervan, wordt genoemd
als plaats waar de G. zich gevestigd zouden
hebben.
De overheersing door de G. gold in de babylonische
traditie als een tijd van neergang. Toch zijn er duidelijk
blijken van assimilatie van de indringers, vooral
aan de tradities van het rijk van Akkad. Volgens de
koningslijst regeerden er in de G.-periode 21 koningen
in 125 jaar; vermoedelijk werden de koningen
van de G. telkens voor korte periodes gekozen.
Lit. C. J. Gadd, The Dynasty of Agade and the Gutian Invasion
(CAH 1, Chap. XIX). H. Sauren, Der Feldzug Utuhengals
vom Uruk gegen Tirigan und das Siedlungsgebiet der
Gutäer (RA 61, 75-79). [van Driel]