
Jemen, gebied in Zuid-Arabië dat thans het land
tussen 'Asir en Aden omvat. In de oudheid werd er
een veel uitgebreider gebied onder verstaan. De
klassieke geografen noemden het Arabia Felix naast
Arabia Petraea en Arabia deserta. Onder het tweede
verstonden zij het gebied rond Petra
en de Sinai, het
derde omvatte de syrisch-arabische woestijn terwijl
het overige deel van Arabië bij Arabia Felix hoorde.
Dit gebied werd Jemen (rechter zijde) genoemd daar
het voor wie met het gezicht naar het oosten gekeerd
was, rechts gelegen was. Het maakte de opkomst
en het verval van diverse rijken mee. Aanvankelijk
beheersten de Sabeeën
het gehele gebied,
maar sedert 400 vC ontstonden de rijken van
de Mineeën, van Qatabän en van
Hadramaut. De
Sabeeën onderwierpen omstreeks 50 vC de Mineeën
weer aan zich. Zij hadden echter zelf een
ernstige concurrent gekregen in het sedert 150 vC
opgekomen rijk van Himyar, met hetwelk zij met
wisselende kansen de strijd om de hegemonie vcxzrden,
die tenslotte in 270 nC ten gunste van Himyar
eindigde. Hadramaut onderwierp Qataban omstreeks
150 nC maar werd zelf in de vierde eeuw nC
definitief een deel van het himyaritische rijk, waardoor
dit laatste de heerschappij kreeg over het gehele
gebied, tot dat dit in 575 door de Perzen in bezit
genomen werd.
J. was in de oudheid het gebied, waar de uit India komende produkten werden ontvangen en met karavanen werden overgebracht naar Egypte, Palestina en Mesopotamië. Bij deze produkten werden gevoegd die van eigen bodem vooral wierook, aloë, mirre, goud en edelstenen. J. stond voorts bekend om de fijngeweven stoffen en de zwaarden en pantsers, die er vervaardigd werden, Joodse kolonies vestigden zich reeds vroeg in J. Omstreeks 130 nC waren zij reeds zo talrijk dat Rabbi Aqiba, naar de Talmud mededeelt, een tocht maakte langs de joodse gemeenschappen van J. De inscripties laten zien dat zij vaak grote invloed uitoefenden en dat tussen 440 en 525 tot het jodendom overgegane vorsten regeerden.
Het christendom vond ingang omstreeks 360, toen Theophilus de overgang van de himyaritische koning Ta'ran of van zijn zoon en opvolger Malkikarib tot het christendom wist te bewerken en de bouw van drie kerken voor de in J. wonende Byzantijnen wist te verkrijgen. Grote gevolgen had deze missie echter verder niet en reeds de opvolger van Malkïkarib, Abu Karib, ging over tot het jodendom. Van veel meer betekenis was de ingang die het christendom sinds omstreeks 440 in Nadjran vond en vandaar in Marib en Hadramaut. De laatste joodse vorst, Dhu Nuwas, Yusuf As'ar, ontketende tegen hen en voorts tegen de Ethiopiërs in zijn gebied, met name in Zafar en Mokha een heftige vervolging, die eindigde met het ingrijpen van de Negus en een herstel van het christendom in J.
Het bestaan van zuidarabische inscripties werd in
Europa voor het eerst bekend toen Carsten Niebuhr
in 1767 na een reis naar J. daarop de aandacht vestigde.
Sindsdien zijn talloze inscripties bekend geworden
door ontdekkingsreizen in de vorige eeuw
als die van Arnauld, Halévy en Glaser en door expedities
als die van Wendell Philips-Albright van
1950-1951 en van Philby-Ryckmans in 1951-1952.
Het schrift werd ontcijferd door Rödiger in 1837 en
Gesenius in 1841.
Lit. A. Moberg, The Book of the Himyarites (Lund 1924).
A. Grohmann, al-Yaman (Encycl. des Islam 4, Leiden 1934,
1250-1254). D. S. Attema, Het oudste Christendom in Zuid-Arabië
(Amsterdam 1949). A. Fakhry, Au Archaeological
Journey to Yemen (Cairo 1951/52). J. Ryckmans, La persécution
des Chrétiens Himyarites au sixième siècle (Istanbul
1956). A. H. Sharafuddin, Yemen, Arabia Felix (Taüzz 1961).
A. Grohmann, Arabien (München 1963). J. Ryckmans, Le
Chrisüanisme en Arabie du Sud préislamique (Ac. Naz. Linc.
Rom 1964, 413-453). H. von Wissmann, Zur Geschichte und
Landeskunde von Alt-Südarabien (Wien 1964). H. von Wissmann,
Zur Archäologie und antiken Geographie von Südarabien
(Istanbul 1968).
[Attema]