Sinaï, naam van een uit het OT bekende berg en van het schiereiland waarop de berg door de traditie gelocaliseerd wordt.
(1) S. (hebreeuws sīnaj, misschien samenhangend met de in Ex 3,1-12 vermelde seneh 'doornstruik'), een van de twee namen die in het OT gegeven wordt aan de berg waar God aan Mozes verscheen en hem de Wet gaf. De andere naam voor deze berg Gods is Horeb. De geleerden zijn het over de ligging van de berg niet eens; ook de christelijke traditie wijst twee verschillende bergtoppen op het schiereiland S. aan. Het meest bekend is de naam S. door de tekst van Ex 19v, waar de openbaring van de Tien Geboden aan Mozes wordt verhaald.
Lit. L. Prévost e.a., Le S. hier et aujourd'hui (Paris 1937).
G. Gerster, S., Land der Offenbarung (Frankfurt 1961). W.
Beyerlin, Herkunft und Geschichte der ältesten S. traditionen
(Tübingen 1961). J. Koenig, La localisation du S. et les traditions
des scribes (Revue d'Histoire et de Philosophie Religieuses
43, 1963, 2-31; 44, 1964, 200-235). B. Rothenberglli.
Weyer edd., Sinai, Pharaohs, Miners, Pilgrims and Soldiers
(Bern 1979).
[Beek]
(2) S., bergachtig schiereiland met in het westen enkele valleien waar de Egyptenaren reeds in de oudste tijden mijngroeven exploiteerden. Op drie plaatsen hebben zij, naast archeologische sporen van hun bedrijvigheid, rotsinscripties en stèles nagelaten, nl. Wâdi Maghâra, Serâbît el-Châdim en Rod el-Air. In de Wâdi Maghâra werd voornamelijk koper gewonnen. De inscripties bewijzen dat dit geschiedde vanaf de 3e dynastie totdat, onder Amenemhêt I, de ertslagen uitgeput geraakten. Op de drie plaatsen stammen de talrijkste en de langste inscripties uit het Middel-Rijk. Serâbît el-Châdim bezat turkooismijnen en malachietgesteente; de expedities werden hier in het begin van het Nieuwe Rijk hervat en herhaalden zich tot onder Ramses VI. In een rotstempel werd naast Sopdu, god van de oostelijke, 20e beneden-egyptische gouw, Hathor vereerd, die ook in de Delta als nb. t mfk3. t 'meesteres van de turkooizen' een cultus genoot.
Naast de egyptische werden ongeveer 37 korte opschriften
ontdekt die in het oudste ons bekende alfabet
(ca. 1500 vC) en in een semitische taal gesteld
bleken te zijn. De eerste die gepoogd heeft ze
te ontcijferen, A. H. Gardiner, stelde de hypothese
op dat in deze mijnen werkzame semitische slaven
hiëroglifische tekens aan het schrift van hun meesters
ontleend hebben en, rekening houdend met de
beginletter van de semitische naam van elk teken
(acrophonisch principe) een alfabet hebben samengesteld.
Dit schrift wordt het proto-sinaïtische alfabet
genoemd om het te onderscheiden van het sinaïtische
schrift, waarin de graffiti gesteld zijn, die
door de handelskaravanen op de rotsen van de
Wàdi Mokattib ('het dal der opschriften') ingekrast
zijn op het einde van de 2e en het begin van de 3e
eeuw nC. Dit sinaïtische alfabet stamt van het arameese
en ligt aan de oorsprong van het arabische
schrift. Zie Schrift III.
Lit. E. Brunner-Traut/V. Heil, Aegypten (Stuttgart 1962) 546-549
(met kaart). Helck/Otto 335v. - A. H. Gardiner/T. E.Peet/
J. Cerny, The Inscriptions of S. 12 (45th Memoir of the Egyptian
Exploration Society, London 1952). A. H. Gardiner,
Writing and Literature (in S. R. K. Glanville, The Legacy of
Egypt, Oxford 1947, 55-64). W. F. Albright, The Proto-sinaitic
Inscriptions and their Decipherment (London 1966).
[Vergote]