Kalender

(I) Naarmate hun maatschappijvormen ingewikkelder werden en hun culturele peil steeg, groeiden bij de volken van het Nabije Oosten en rond de Middellandse Zee de behoefte en de noodzaak een systematische en betrouwbare indeling van de tijd in grotere en kleinere rekeneenheden vast te stellen en de daarmee verbonden problemen op te lossen. Het moeilijkste probleem waarmee ze geconfronteerd werden, was de incommensurabiliteit van de drie natuurlijke tijdseenheden dag, synodische of maanmaand en tropisch of zonnejaar: de gemiddelde lengte van een lunatie bedraagt ca. 29,5306 dagen, die van een zonsomloop ca. 365,2422 dagen.

Aanvankelijk schijnen vele volken, o.a. de Babyloniërs en de Grieken, zich tevreden te hebben gesteld met een stelsel waarin enerzijds de goed waarneembare en betrekkelijk gemakkelijk hanteerbare lunatie-eenheid met beurtelings 29 en 30 dagen gelijkgesteld werd, anderzijds - geheel onafhankelijk van deze maanden - de jaren naar de regelmatige terugkeer van de natuurlijke seizoenenreeksen werden gemeten en geteld; hier en daar, o.a. bij de Egyptenaren en bij de Romeinen, ontstond reeds vroeg naast of in plaats van de maanmaand een kalendermaand (van bv. 30 dagen) die niet op de schijngestalten van de maan, maar op periodiek terugkerende gebeurtenissen als rust- en marktdagen gebaseerd was.

De eenvoudigste methode om het jaar in een vaste relatie met de maanmaanden te brengen bestond hierin dat men op min of meer willekeurige tijdstippen een extra maand inlaste en bv. het jaar, dat ca. 11 dagen korter is dan een 'maanjaar' van 12 maanmaanden (12x29,5306 = 354,3672 dagen), afwisselend uit 12 en 13 maanden liet bestaan, met van tijd tot tijd een correctie. Dit lunisolaire systeem werd verbeterd door 99 maanmaanden (= 2923,5294 dagen) en 8 zonnejaren (= 2921,9376 dagen) onder te brengen in een achtjarige cyclus, die 5 jaren met 12 maanden en 3 schrikkeljaren met 13 maanden bevat en slechts een afwijking van ongeveer 1 1/2 dag per acht jaar vertoont. Deze octaëteris werd uitgevonden in Babylonië in de 8e eeuw vC en verbreidde zich vandaar over een groot deel van het Nabije Oosten; in Griekenland werd zij in de 7e en 6e eeuw vC ingevoerd. Een nog grotere precisie werd bereikt door een 19-jarige cyclus van 235 maanden (verdeeld over 12 gewone en 7 schrikkeljaren), die in de 5e eeuw vC in Babylonië in gebruik kwam en later ook in Griekenland werd toegepast (Meto); hierin bedroeg de afwijking nog slechts 1 dag per 219 jaar.

Terwijl in dergelijke lunisolaire cycli de lengte van een kalenderjaar nu eens 354 dan weer 384 dagen bedroeg, was het bij k.s waarin de kalendermaand geheel of grotendeels onafhankelijk was van de maanmaand, mogelijk de lengte van het kalenderjaar minder te laten schommelen, hetzij door alle kalenderjaren een uniforme lengte van 365 dagen te geven (evenwel met alle gevolgen van dien, zoals bij de Egyptenaren) hetzij door telkens drie kalenderjaren van 365 te laten volgen door een schrikkeljaar van 366 dagen, zoals in de juliaanse k.

De praktische toepassing van al deze systemen leidde bij de verschillende volken en in verschillende perioden van de oudheid tot een grote verscheidenheid van kalendervormen, waarop hier niet kan worden ingegaan, en gaf niet zelden aanleiding tot ingewikkelde ingrepen, waarvan de details ons grotendeels ontgaan. Voor de hoofdlijnen van drie belangrijke antieke k.s zij verwezen naar de paragraaf Chronologie of Kalender s.vv. Grieken en Romeinen. De door Julius Caesar in 45 vC ingevoerde juliaanse k. werd in de 1e en 2e eeuw nC de algemeen erkende k. in het uitgestrekte romeinse rijk en bleef dat in Europa gedurende de gehele middeleeuwen; nadat er door paus Gregorius XIII in 1582 een correctie in was aangebracht, werd de juliaans-gregoriaanse k. geleidelijk tot wereldkalender, hoewel in vele landen nog steeds afwijkende k.s in gebruik zijn.

De zevendaagse, van maanfasen en jaren onafhankelijke, week kwam in het romeinse rijk pas in de 3e eeuw nC algemeen in gebruik, vooral onder invloed van de joods-christelijke week met een rustdag op sabbat of zondag, maar hier en daar ook in aansluiting bij oudere, al dan niet aan de maanfasen gerelateerde achtdaagse of tiendaagse tijdrekeneenheden.

(II) Tabellen waarop de verdeling van het jaar in maanden en dagen wordt aangegeven, meestal met vermelding van feest- en andere bijzondere dagen, moeten reeds vroeg bestaan hebben. Uit het begin van het eerste millennium vC zijn in het Oosten eenvoudige stenen platen te voorschijn gekomen met 30 gaatjes, waarop men door verplaatsen van een stift de dag van de maand kon aangeven. Bij de Grieken verdienen de παραπήγματα vermelding, steekkalenders waarop men de correspondentie tussen de verschijnselen van het zonnejaar en de data van de burgerlijke tijdrekening kon aangeven, en de k.s die in astronomische tractaten zijn opgenomen. De romeinse ambtelijke k. heette Fasti.


Lit. F. K. Ginzel (PRE 9, 604-612). E. Bischoff (PRE 10, 1568-1602). - F. K. Ginzel, Handbuch der mathematischen und technischen Chronologie 1-3 (Leipzig 1906-1914 = 1958). M. P. Nilsson, Primitive Time-Reckoning (Lund 1920, ²1960). W. Kubitschek, Grundriss der antiken Zeitrechnung (München 1928). E. Bickerman, Chronology of the Ancient World (Ithaca 1968). A. E. Samuel, Greek and Roman Chronology. Calendars and Years in Classical Antiquity (München 1972). J. D. Mikalson, The Sacred and Civil Calendar of the Athenian Year (Princeton 1975). [Nuchelmans]


Register