Empedocles

Empedocles (Ἐμπεδοκλῆς), griekse wijsgeer, een van de jongere natuurfilosofen, geboren ca. 490 vC te Acragas op de zuidkust van Sicilië, gestorven ca. 423. Als wijsgeer onderging E. sterke invloed van de leer van Pythagoras; hij was ook werkzaam op politiek, godsdienstig en medisch gebied. Twee werken zijn op naam van E. overgeleverd, Καθαρμοί (Louteringen) en Περὶ φύσεως (De natuur).

De chronologische volgorde van deze twee werken is moeilijk te bepalen. Bidez plaatst de Καθαρμοί het eerst, omdat E. eerst de pythagoreïsche opvattingen zou hebben overgenomen en pas later de filosofie van Parmenides zou hebben leren kennen; toen zou hij getracht hebben deze te verzoenen met zijn kosmologische opvattingen van vroeger. De meeste historici dateren evenwel de Καθαρμοί later: het zou een werk zijn van een ontgoocheld man (wellicht in verband te brengen met zijn verbanning). Raven meent dat beide werken, hoe verschillend ook naar de inhoud, niet onverenigbaar zijn; het ene moet door het andere worden verklaard.

(I) Kosmologie. De wording van de dingen wordt door E. zo sterk mogelijk gereduceerd: het wezen der dingen wordt beschouwd als onveranderlijk, evenals bij Parmenides. Heel de werkelijkheid wordt teruggebracht tot vier elementen (ῥιζώματα): aarde, water, vuur en lucht. Deze zijn onveranderlijk, onherleidbaar tot elkaar en eeuwig. De eigenschappen die Parmenides aan het zijn toeschrijft worden dus overgebracht op deze elementen; ook de welafgeronde sfeer van Parmenides wordt overgenomen, echter niet als een blijvende toestand, maar als het eerste moment in de evolutie van de kosmos. Aldus worden alle veranderingen kwantitatief: er bestaat alleen vermenging (μίξις) en scheiding (διάλλαξις) van bestanddelen. Er zijn twee krachten die deze wijzigingen tot stand brengen, liefde (φιλότης) en haat (νεῖκος). Daardoor ontstaan de vier perioden van het wereldgebeuren. Eerst de toestand waarin de liefde de overhand heeft en alles beheerst; deze wordt gekenmerkt door volkomen rust en naar het voorbeeld van Parmenides σφαῖρος genoemd. Daarna doet de haat zijn invloed gelden en bewerkt scheiding: de elementen worden van elkaar gescheiden in kwalitatief verschillende massa's: zo ontstaat de verscheidenheid van de kosmos en de beweging. In de derde fase is er een volkomen scheiding van alles: de haat behaalt volledig de zege. In het vierde stadium begint, onder invloed van de liefde, het herenigingsproces opnieuw, met als eindresultaat de sfeer waarin alles verenigd is. De kosmos is dus een tussenfase tussen de 'sfeer' en de volledige scheiding van alles; de wereldgeschiedenis wordt herleid tot de cyclische opeenvolging van mechanische processen.

Ook het ontstaan van het leven wordt op mechanische wijze verklaard. De eerste organismen waren onvolledig en konden daarom niet blijven voortbestaan; later groeiden onvolledige organismen aan elkaar, zeer dikwijls op monsterachtige wijze, zodat ook dan het voortbestaan onmogelijk was. In een volgende periode vormden zich levende wezens zoals wij die kennen; hun voortbestaan is verzekerd door paring.

(II) Psychologie. In het menselijke organisme wordt het hart beschouwd als het centrum van het leven, zowel van de zinnelijke kennis als van het denken. Het werktuig van het denken is het bloed rondom het hart; immers het bloed is het meest harmonisch samengestelde element van het menselijk lichaam. Als algemeen principe aanvaardt E. dat het gelijke door het gelijke wordt gekend; zo kent men de voorwerpen door uitvloeisels (ἀπορροιαί) die erop gelijken en die langs onzichtbare poriën binnendringen in ons lichaam. De aanleg en het karakter van de mens hangt eveneens af van de samenstelling van zijn bloed. De ziel is een δαίμων die in de stof verbannen is op grond van een collectieve fout; zij moet zich daaruit losmaken door reinigingspraktijken. E. is verder ook aanhanger van de leer der zielsverhuizing.

(III) Godsleer. De goden worden meer en meer gelijkgesteld met filosofische begrippen; de mythologische opvattingen van de Grieken worden daarom op allegorische wijze verklaard. De godheid wordt hoofdzakelijk beschouwd als een geest die de wereldorde beheerst. Aldus is het systeem van E. een mengsel van materialisme en van zuivere godsdienstleer.


Lit. Fragmenten en testimonia bij H. Diels/W. Kranz, Die Fragmente der Vorsokratiker 111 (Zürich/Berlin 1964) nr. 31. J. Zafiropulo, Ἐμπεδοκλέους Καθαρμοί Texte, traduction et annotations (Paris 1954). - Diogenes Laërtius 8, 51-77. - E. Welimann (PRE 5, 2507-2512). - E. Bignone, Empedocle (Turijn 1916, Rome 1963). G. Colli, Empedocle (Pisa 1949). W. Kranz, Empedokles. Antike Gestalt und romantische Neuschöpfung (Zürich 1949). A. Traglia, Studi sulla lingua di Empedocle (Bari 1952). J. Zafiropulo, Empédocle d'Agrigente (Paris 1953). F. A1theim/R. Stiehl, Porphyrios und Empedokles (Tübingen 1954). J. Bollack, Die Metaphysik des Empedokles als Entfaltung des Seins (Philologus 101, 1957, 30-54). G. Nélod, Empédoele d'Agrigente (Bruxelles 1959). H. Reiche, Empedocles' Mixture, Eudoxan Astronomy and Aristotle's Connate Pneuma (Amsterdam 1960). C. Kalm, Religion and Natural Philosophy in Empedocles' Doctrine of the Soul (Archiv für Geschichte der Philosophie 42, 1960, 3-35). J. Bollack, Empédoele 1. Introduction à l'ancienne physique (Paris 1965). J. Brun, Empédocle ou le philosophe de l'amour et de la haine (Paris 1966). J. Bollack, Empédocle 2-3. Les Origines (Paris 1969) [Verbeke]


Lijst van Namen