Nausicaä (Ναυσικάα), in
Homerus' Odyssee (boek
6) prinses der Phaeaken, dochter van koning
Alcinoüs
en diens gemalin Arete. Toen Odysseus na
schipbreuk te hebben geleden op het eiland Scheria
aanspoelde, werd hij opgemerkt door N., die zich
met haar dienaressen, na het doen van de was, met
een balspel vermaakte. Terwijl de dienaressen angstig
wegvluchtten, bleef N. staan en knoopte een
gesprek met de vreemdeling aan. Zij liet hem vervolgens
voedsel en kleren geven en geleidde hem
naar de stad, waar hij door Alcinoüs gastvrij werd
opgenomen. In een posthomerische uitbreiding van
dit charmante verhaal werd N. na Odysseus' terugkeer
op Ithaca de echtgenote van diens zoon
Telemachus.
De ontmoeting van N. en Odysseus is veelvuldig afgebeeld op griekse ceramiek, het fraaist op een amfoor in de Münchener Antikensamlung. Hierboven staat Odysseus tegenover Athene en Nausicaä.
Lit. E. Wörner (Roscher 3, 28-41). J. Schmidt (PRE 16, 2016-2019).
[Nuchelmans]