Homerus

kopHomerus (Ὅμηρος), eerste ons bekende europese dichter en grootste epische dichter van de griekse literatuur.

(I) Over de persoon van H. is ons niets met zekerheid bekend. De hem toegeschreven gedichten bevatten geen enkel direct gegeven over het leven van hun auteur. De zeven antieke biografieën dateren in hun bewaard gebleven vorm uit de keizertijd; ze bevatten slechts legendarisch materiaal, waarvan een deel van veel ouder datum is en in laatste instantie misschien van de Homeriden stamt. Hetzelfde geldt voor de agon tussen H. en Hesiodus, waarin deze beiden tot tijdgenoten zijn gemaakt. Hoe onzeker men reeds in de oudheid was inzake de herkomst van de dichter, blijkt onder meer uit het feit dat volgens een bekend epigram, dat bovendien nog met varianten overgeleverd is, zeven steden elkaar de eer betwistten Homerus' geboorteplaats te zijn: Smyrna, Chius, Colophon, Ithaca, Pylus, Argos en Athene. Van deze lijken Smyrna en Chius het meest in aanmerking te komen.

In de vorige eeuw zyn soms stemmen opgegaan die aan H. elke vorm van historiciteit wilden ontzeggen. Alles wijst er echter op dat we ons bij de naam H. wel degelijk een historische persoon mogen voorstellen, die geleefd en gewerkt heeft in het midden of in de tweede helft van de 8e eeuw vC en beroepszanger was; hij gold, minstens sinds 600 vC, als de auteur van Ilias en Odyssee en ook vele andere gedichten stonden of kwamen op zijn naam te staan. De naam H. werd reeds in de 4e eeuw vC geëtymologiseerd als ὁ μὴ ὁρῶν,'de niet ziende'. Hieruit ontstond, mede onder invloed van de figuur van de blinde zanger Demodocus in boek 8 van de Odyssee, de voorstelling van de blinde dichter H., die klassiek geworden is.

De bewaard gebleven koppen van H. kunnen in vier typen worden verdeeld:
1. De gestileerde kop met gesloten ogen, oorspronkelijk behorend tot een bronzen standbeeld uit ca. 450 vC; van deze kop zijn zeven kopieën bekend, waarvan de fraaiste (uit de vroege keizertijd) zich in München bevindt.
2. De kop met omhooggerichte ogen en zingende mond, oorspronkelijk behorend tot een bronzen standbeeld uit ca. 330 vC; de bekendste kopie (uit de 1e eeuw nC) bevindt zich in het Capitolijns Museum te Rome.
3. De naturalistische kop van de blinde zanger, oorspronkelijk behorend tot een standbeeld uit de 2e eeuw vC; het mooiste exemplaar van de bewaard gebleven kopieën is een herme in het Louvre (1e eeuw nC).
4. Het z.g. Apollonius-type uit de 1e eeuw nC of vroeger; hiervan bestaan een dozijn kopieën, de mooiste (1e eeuw nC) in het Museo Nazionale van Napels. Beroemd is het marmeren reliëf uit de 2e eeuw vC (uit Priene; thans in het British Museum; zie hiernaast) dat de apotheose van H. uitbeeldt. Vanaf de 4e eeuw vC komt de kop van H. ook op de munten van vele steden voor.
Vgl. R. und E. Boehringer, Homer. Bildnisse und Nachweise (Breslau 1939).

(II) Overzicht van de inhoud der Ilias (24 boeken; 15.693 versregels). De Ilias vertelt een periode van 51 dagen uit het tiende en laatste jaar van de strijd der Grieken - door H. Achaeërs, Argivers of Danaërs genoemd - om Troje. Het verhaal begint met de twist tussen de achaeïsche vorsten Agamemnon en Achilles en eindigt met de begrafenis van de trojaanse prins Hector; het hoofdthema is de wrok van Achilles tegen Agamemnon, de rampzalige gevolgen daarvan en de uiteindelijke verzoening.

tekst

Boek 1. Agamemnon wordt door Apollo, die een pestziekte in het legerkamp zendt, gedwongen het krijsgevangen meisje Chryseïs aan haar vader, priester van Apollo, terug te geven. Hij stelt zich echter schadeloos door aan Achilles het meisje Briseïs te ontnemen. Daarom weigert Achilles verder aan de strijd deel te nemen en roept de hulp van zijn goddelijke moeder Thetis in. Deze bewerkt dat Zeus de Trojanen gaat steunen.
2. Zeus zendt Agamemnon een bedrieglijke droom, die hem de spoedige val van Troje voorspelt en tot een aanval op de stad verleidt. Na een vergadering der Achaeërs trekken beide legers ten strijde: begin van de eerste veldslag. Uitvoerig worden de onderdelen van het achaeïsche leger (Scheepskataloog) beschreven: in totaal ca. 100.000 manschappen op ca. 1200 schepen; veel beknopter is de kataloog van de ca. 50.000 Trojanen en hun bondgenoten.
3. Vlak voor het treffen verklaart Paris, de schaker van Helena en de oorzaak van de oorlog, zich bereid deze door een tweegevecht met Helena's echtgenoot Menelaüs tot een beslissing te brengen. Koning Priamus, die zich juist door Helena vanaf de muur de verschillende achaeïsche helden laat aanwijzen (Teichoskopie), wordt gehaald om de overeenkomst te bekrachtigen. Paris wordt echter, als hij gedood dreigt te worden, door Aphrodite gered. De Achaeërs eisen de overwinning voor zich op.
4. Ondanks de gesloten wapenstilstand doet de Trojaan Pandarus, daartoe aangezet door Athene, een schot op Menelaüs. De algemene strijd ontbrandt, waaraan ook de goden deelnemen.
5. Heldendaden van de argivische vorst Diomedes: hij doodt Pandarus en verwondt Aeneas, zelfs Aphrodite en Ares. De Trojanen worden hevig in het nauw gebracht.
6. Op aanraden van de ziener Helenus begeeft Hector zich naar de stad en draagt de vrouwen op de hulp van de stadsgodin Athene af te smeken. Daarna bezoekt hij zijn broer Paris om deze weer tot deelneming aan de strijd te bewegen; op de stadsmuur neemt hij afscheid van zijn vrouw Andromache en zijn zoontie Astyanax.
7. Hector en Paris keren op het slagveld terug. De strijd wordt hervat. Een tweegevecht tussen Hector en Aiax, voorgesteld door Athene en Apollo, eindigt door het invallen van de nacht onbeslist. Op voorstel van Nestor leggen de Achaeërs rond het scheepskamp een muur en een gracht aan. Een wapenstilstand wordt gesloten voor het verbranden van de lijken der gesneuvelden. Einde van de eerste veldslag.
8. Zeus verbiedt alle goden zich verder met de strijd in te laten. De tweede veldslag begint. De Achaeërs worden binnen hun muur teruggedrongen, de Trojanen brengen de nacht door in de vlakte.
9. Op voorstel van Nestor zenden de radeloze Achaeërs Odysseus, Aiax en Phoenix naar de wrokkende Achilles, maar deze wil, ondanks het aanbod van rijke geschenken en van de teruggave van Briseïs, nog van geen verzoening weten.
10 Dolonie. Odysseus en Diomedes gaan in de nacht op verkenning naar het kamp der Trojanen. Zij maken een trojaanse spion, Dolon, onschadelijk en plunderen het kamp van de thracische koning Rhesus, die zich zojuist als bondgenoot bij de Trojanen heeft gevoegd.
11. De volgende morgen wordt de strijd voortgezet. Op de voorgrond treden vooral Agamemnon en, nadat deze gewond is, Hector. Ook Diomedes en Odysseus lopen verwondingen op. Nestor tracht Patroclus te bewegen in Achilles' wapenrusting en met diens manschappen aan de strijd deel te nemen.
12. Na verwoede strijd weet Hector met een steenworp een van de poorten in de muur rond het scheepskamp te verbrijzelen. Achter hem aan dringen de Trojanen het kamp binnen.
13. In strijd met Zeus' bevel vuurt Poseidon de Achaeërs aan. Dezen bieden heftig weerstand. Vooral de beide Aiaxen en de Kretenzer Idomeneus onderscheiden zich.
14. Met behulp van Aphrodite en Hypnos, de god van de slaap, doet Hera Zeus in haar armen inslapen. Nu kan Poseidon ongestoord de Achaeërs aanvoeren. Dezen dringen op en verjagen de Trojanen uit het scheepskamp; zelfs Hector raakt gewond.
15. Als Zeus ontwaakt, roept hij Poseidon uit de strijd terug en zendt Hector, die door Apollo genezen is, weer naar het slagveld. Opnieuw dringen de Trojanen het scheepskamp binnen. Met uiterste krachtsinspanning weet Aiax te voorkomen dat de schepen in brand worden gestoken.
16. Zwichtend voor Patroclus' verwijten staat Achilles hem toe in zijn, Achilles' wapenrusting aan het hoofd der Myrmidoniërs de Trojanen uit het kamp te verdrijven; verder mag hij niet gaan, daarna moet hij terstond terugkeren. Hij komt juist op tijd: Hector stelt Aiax buiten gevecht en steekt het schip van Protesilaüs in brand. De Trojanen, die menen dat Achilles zelf op het slagveld teruggekeerd is, kiezen het hazenpad. In de roes van de strijd vergeet Patroclus Achilles' bevel; hij doodt vele Trojanen, o.a. Sarpedon, achtervolgt de vijand tot onder de muur van de stad en wordt tenslotte door Hector met behulp van Apollo gedood.
17. Hector maakt de door Patroclus gedragen wapenrusting van Achilles buit, maar de roof van Patroclus' lijk wordt door Aiax en Menelaüs voorkomen. Antilochus, een zoon van Nestor, brengt het doodsbericht aan Achilles.
18. Achilles, ten prooi aan wilde smart, besluit Patroclus' dood op Hector te wreken, al weet hij dat hij spoedig daarna zelf moet sterven. Maar eerst verzoekt Thetis Hephaestus nieuwe wapens voor haar zoon te vervaardigen. Intussen gaat de strijd voort; Patroclus' lijk komt nog in gevaar, maar alleen al het verschijnen van de ongewapende Achilles en zijn strijdkreet doen de Trojanen terugdeinzen; ze blijven echter in de vlakte. In het kamp der Myrmidoniërs rouwt men om Patroclus. Beschrijving van Achilles' nieuwe wapenrusting, vooral van het schild.
19. Achilles neemt zijn nieuwe wapenrusting in ontvangst, verzoent zich met Agamemnon, van wie hij kostbare geschenken en Briseïs krijgt, en trekt ten strijde, nadat een van zijn paarden hem de dood voorspeld heeft.
20. Achilles beheerst het slagveld. Aeneas wordt door Poseidon gered, vele andere helden sneuvelen. De goden nemen aanvankelijk deel aan het gevecht, maar trekken zich weldra terug.
21. Achilles wekt de toorn op van de stroomgoden van de trojaanse vlakte, Scamander en Simoïs. Hephaestus komt hem te hulp door een geweldige brand te stichten. Apollo, in de gedaante van Agenor, brengt Achilles op een dwaalspoor, hetgeen de Trojanen de gelegenheid geeft zich binnen de muren in veiligheid te brengen.
22. Alleen Hector blijft buiten. Na driemaal rond de stad te zijn gevlucht, wordt hij door Apollo in de steek gelaten, door Achilles gedood, aan diens strijdwagen gebonden en weggesleept. Einde van de tweede veldslag. In Troje wordt zwaar gerouwd.
23. Verbranding van het lijk van Patroclus en lijkspelen te zijner ere in het kamp der Achaeërs.
24. Twaalf dagen wordt het lijk van Hector door Achilles mishandeld. Dan grijpen de goden in. Begeleid door Hermes gaat Priamus naar Achilles' tent om hem tegen een hoge losprijs de uitlevering van Hectors lijk te vragen. Achilles willigt dit verzoek in en staat tevens een wapenstilstand van 12 dagen toe om Hector op waardige wijze te begraven.

(III) Overzicht van de inhoud der Odyssee (24 boeken; 12.110 versregels). De Odyssee verhaalt de laatste 41 dagen van de tienjarige avontuurlijke thuisvaart van Odysseus van Troje naar Ithaca. Het verhaal begint op het moment dat Athene de goden weet te overreden een bode te zenden naar de nimf Calypso, bij wie Odysseus reeds zeven jaar verblijft, met het bevel hem vrij te laten. Wat daarvoor is geschied vertelt Odysseus zelf in de boeken 9 tot en met 12 (raamvertelling).

tekst

Boek 1. De godenvergadering besluit tijdens de afwezigheid van Poseidon dat Odysseus naar zijn vaderland kan terugkeren. Athene gaat naar Ithaca om, in de gedaante van Mentes, koning van de Taphiërs, Odysseus' zoon Telemachus aan te sporen krachtiger op te treden tegen de vrijers die zijn moeder Penelope het hof maken, en in het buitenland inlichtingen over zijn vader in te winnen.
2. In de volksvergadering zet Telemachus zijn plan uiteen en vraagt hem een schip ter beschikking te stellen. De vrijers verzetten zich daartegen. Maar Athene bezorgt hem een schip en vergezelt hem in de gedaante van Mentor, een oude vriend van Odysseus. Euryclea, Odysseus' voedster, krijgt opdracht Telemachus' reis zo lang mogelijk voor Penelope geheim te houden.
3. Telemachus wordt in Pylus gastvrij ontvangen door Nestor. Deze kan hem niets over zijn vader vertellen en zendt hem met zijn zoon Pisistratus naar Menelaüs in Sparta. Intussen is Mentor op wonderbare wijze plotseling verdwenen. Nestor herkent in hem de godin Athene.
4. Door Menelaüs en Helena worden de beide mannen feestelijk onthaald. Menelaüs vertelt van Odysseus' heldendaden bij Troje en van zijn eigen belevenissen bij de zeegod Proteus, van wie hij heeft gehoord dat Odysseus nog in leven is bij Calypso. Op Ithaca maken intussen de vrijers het plan Telemachus bij zijn terugkeer te doden.
5. Hermes brengt aan Calypso het besluit der godenvergadering over. Tegen haar zin helpt de nimf Odysseus bij de bouw van een vlot. Hij verlaat het eiland, maar na 17 dagen wordt zijn vlot door Poseidon vernield. Dank zij de magische kracht van de hoofddoek van de zeegodin Leucothea bereikt hij meer dood dan leven het eiland der Phaeaken, Scheria, waar hij bij de monding van een rivier in slaap valt.
6. Athene bewerkt dat Nausicaä, de dochter van koning Alcinoüs van de Phaeaken, Odysseus tijdens het balspel op het strand vindt en meeneemt naar het paleis van haar vader.
7. In een nevel gehuld bereikt Odysseus de stad en het paleis, waar hij wordt ontvangen door de koning en diens gemalin Arete. Hij vraagt om een geleide naar zijn vaderland.
8. De volgende dag besluiten de Phaeaken het verzoek van de vreemdeling in te willigen. Te zijner ere worden wedstrijden gehouden, waarbij ook Odysseus zich niet onbetuigd laat, en een feestmaal aangericht, waarbij Demodocus zingt van de ondergang van Troje.
9. Odysseus neemt op verzoek van Alcinoüs het woord, maakt zich bekend en vertelt zijn avonturen bij de Ciconiërs, de Lotophagen en de Cycloop Polyphemus.
10. Relaas van de avonturen bij Aeolus, de Laestrygoniërs en de tovenares Circe.
11. (Nekuia). Odysseus verhaalt zijn bezoek aan Tiresias in de onderwereld, waar hij ook zijn gestorven moeder en verschillende gesneuvelde achaeïsche helden ontmoet.
12. Relaas van de avonturen met de Sirenen, Scylla en Charybdis en de runderen van de zonnegod: omdat de makkers van Odysseus deze opeten, komen ze allen op zee om, terwijl Odysseus zelf op het eiland Ogygia van de nimf Calypso aanspoelt. Einde van Odysseus' verhaal.
13. De Phaeaken brengen Odysseus naar zijn vaderland, Poseidon straft hen door hun schip in een rots te veranderen. Athene verschijnt aan Odysseus, licht hem in over de situatie in zijn paleis en verandert hem in een oude bedelaar.
14. In deze vermomming begeeft Odysseus zich naar de zwijnenhoeder Eumaeus, die zijn meester steeds trouw is gebleven. Odysseus maakt zich nog niet bekend, maar dist een verzonnen verhaal op.
15. Op aansporen van Athene keert Telemachus uit Sparta terug naar Ithaca. Om aan de lagen van de vrijers te ontkomen wordt hij door de godin eveneens bij Eumaeus gebracht.
16. Eumaeus gaat naar het paleis van Penelope om haar de behouden terugkeer van Telemachus te melden. In de tussentijd geeft Athene aan Odysseus tijdelijk zijn eigen gedaante terug. Hij maakt zich aan zijn zoon bekend en samen smeden zij plannen om de vrijers uit de weg te ruimen. Als dezen merken dat Telemachus hun ontsnapt is, zoeken zij naar andere middelen om zich van hem te ontdoen.
17. Telemachus gaat naar het paleis en wordt door zijn moeder met grote vreugde ontvangen. Spoedig volgen Odysseus, wederom als bedelaar, en Eumaeus. Argus, Odysseus' oude hond, herkent zijn meester, maar sterft voordat hij hem kan verraden. In zijn vermomming gaat Odysseus op de drempel van de zaal zitten en wordt uitgescholden door Antinoüs, die hem een voetenbankje naar het hoofd slingert.
18. Uitgedaagd door een medebedelaar, de brutale Irus, geeft Odysseus deze een geduchte afstraffing. Penelope verwijt Telemachus dat hij de bedelaar niet meer bescherming biedt en geeft de vrijers duidelijk te kennen hoezeer zij hun gedrag verfoeit. Niettemin gaan zij voort Odysseus te vernederen.
19. Als de vrijers zich te ruste hebben begeven, verwijderen Odysseus en Telemachus alle wapenen uit de zaal. Penelope ondervraagt de bedelaar over Odysseus. Geroerd door zijn relaas laat zij hem uit dank door Euryclea een voetenwassing geven. Deze herkent Odysseus aan een litteken boven de knie. Odysseus weet te beletten dat zij voortijdig zijn aanwezigheid verraadt. Dan deelt Penelope hem haar voornemen mee, te zullen huwen met hem die met Odysseus' boog diens meesterschot door de gaten van twaalf bijlen evenaart.
20. Het voorspel van de vrijermoord: gunstige voortekenen voor Odysseus, slechte voor de vrijers, die voortgaan de bedelaar te honen.
21. Telemachus brengt Odysseus' boog; de vrijers blijken hem niet eens te kunnen spannen en besluiten hun pogingen de volgende dag te herhalen. Intussen heeft Odysseus zich ook bekend gemaakt aan Eumaeus en Philoetius, de hem trouw gebleven herders, en hun een taak bij de vrijermoord opgedragen. Dan vraagt Odysseus ook een poging te mogen wagen. Onder protest der vrijen beveelt Telemachus de boog aan de bedelaar te brengen, die in een oogwenk de boog spant en zijn meesterschot verricht.
22. De vrijermoord: Antinoüs wordt het eerst neergeschoten, daarna volgen de anderen; ook de slavinnen die gemene zaak hebben gemaakt met de vrijers worden gestraft; alleen de zanger Phemius en de heraut Medon blijven gespaard.
23. Nadat Penelope, die tijdens de moordpartij in haar kamer was, voorzichtigheidshalve de overwinnaar eerst nog heeft laten bewijzen dat hij werkelijk Odysseus is, valt zij hem wenend om de hals.
24. Hermes leidt de schimmen van de vrijers naar de onderwereld, waar zij aan de daar verzamelde achaeïsche helden hun lotgevallen vertellen. Odysseus bezoekt zijn oude vader Laërtes en maakt zich aan hem bekend. Athene brengt een regeling tot stand tussen Odysseus en de verwanten der gedode vrijers.

(IV) Taal en stijl van Ilias en Odyssee.
(A) Taal. De oorsprong van het griekse epos ligt in de myceense tijd. Terwijl het tussen de 13e en 8e eeuw vC tot steeds groter bloei kwam, ontwikkelde zijn taal zich tot het traditionele taaleigen van een gilde van beroepszangers. Dit bevat elementen uit verschillende tijden en streken en is nooit als gewone omgangstaal in gebruik geweest.

Het hoofdbestanddeel wordt gevormd door het ionisch dat in de 9e en 8e eeuw vC gesproken werd op de kust van Klein-Azië, waar Ilias en Odyssee in de loop van de 8e eeuw hun nagenoeg definitieve vorm hebben gekregen. Typisch voor dit ionisch zijn o.a. het ontbreken van de digamma, het gebruik van de paragogische ν, de contractie van ε + ο tot ευ, de genetivusuitgang -εω bij de masculina van de eerste declinatie.

Het meest opvallende archaïsme in het epische taaleigen is de aanwezigheid van vele sporen van de digamma (F, uit te spreken als onze w), een medeklinker die in de 8e eeuw vC in het ionisch uitgestorven was. Woorden die oorspronkelijk met een digamma begonnen, worden nu eens behandeld alsof ze met een medeklinker dan weer alsof ze met een klinker beginnen.

De overige archaïsmen pleegt men te verdelen in achaeïsmen en aeolismen. Eerstgenoemde mag men op goede gronden toeschrijven aan het grieks van de 13e en 12e eeuw vC. Uitgesproken achaeïsmen zijn o.a. de woorden Fάναξ, πτόλις, πτόλεμος, αὐτάρ en ἰδέ, de buigingsuitgangen -αο bij de masculina der eerste en -οιο bij de tweede declinatie. De aeolismen - elementen die kenmerkend zijn voor de aeolische dialecten van Thessalië en Lesbus - zijn niet steeds gemakkelijk van de achaeïsmen te onderscheiden; bovendien is het moeilijk uit te maken wanneer, waar en hoe ze een plaats in het epische taaleigen veroverd hebben. Het is niet onwaarschijnlijk dat de meeste dateren uit de tijd van de aeolische kolonisatie van de kleinauatische kust (1000-800 vC). Typische aeolismen zijn o.a. de apocope, de dativusuitgang -εσσι, de pronomina personalia ἄμμε ἄμμι,ἄμμε, ὔμμες, ὔμμι, ὔμμε, de infinitivusuitgangen -μεναι en -μεν.

Tenslotte vertoont de overgeleverde tekst van Ilias en Odyssee enkele sporen van het attische dialect, atticismen, bv. de dativus singularis op -ει in plaats van -ι en de accusativus op -εις in plaats van -ις bij de ι-stammen. Deze atticismen moeten in de 6e en 5e eeuw vC in de tekst der epen zijn doorgedrongen. Naast al deze verschillende bestanddelen kan men in Homerus' taal nog een aantal geheel artificiële vormen aanwijzen, die zich in geen enkel historisch of geografisch taalkader laten inpassen maar onder de dwang van het metrum (metri causa) door de epische zangers zelf zijn gecreëerd en aan elkaar doorgegeven; hiertoe behoren de meeste diectasisvormen en het verschijnsel der metrische rekking.

(B) Stijl. Niet alleen de taal, ook de stijl van Iiias en Odyssee wordt in hoge mate bepaald door het gebruik van de hexameter, en bovendien door de talrijke van dat metrum afhankelijke en erin vastliggende formulaire wendingen, met behulp waarvan de epische zangers improviseerden. Dit repertoire van formules en deze formulaire stijl - gekenmerkt door een betrekkelijk stereotiepe zinsbouw en woordkeuze en vooral door epitheta ornantia die wisselen volgens de eisen van metrum, versbouw en syntaxis en niet volgens de behoeften van de context - bezaten evenwel voldoende openheid om de individuele zanger alle ruimte tot persoonlijke creativiteit te laten. Deze komt bij H. het sterkst tot uiting in de vele prachtige vergelijkingen die vooral de Ilias sieren en zowel handelingen als stemmingen kunnen illustreren, maar is ook elders in overvloed waarneembaar.

Daarentegen worden geregeld terugkerende typische scènes als het gebruiken van de maaltijd, het brengen van offers, het aantrekken van kleding en wapenrusting, meestal in hun geheel in dezelfde of bijna dezelfde verzen weergegeven. Karakterisering van de personen geschiedt in deze stijl uiteraard minder met epitheta dan met andere middelen, waaronder in het bijzonder de dikwijls indrukwekkende redevoeringen opvallen. Literaire technieken als voorwaartse en achterwaartse verwijzing, vertraging en versnelling worden door H. reeds op geraffineerde wijze toegepast om de structuur van het verhaal te onderstrepen en de spanning te verhogen.

(V) Overlevering van Ilias en Odyssee. Ook indien de compositie van Ilias en Odyssee langs schriftelijke weg tot stand is gekomen (vgl. VI, einde), zijn deze epen ongetwijfeld in de eerste eeuwen van hun bestaan hoofdzakelijk mondeling overgeleverd (Homeriden, rhapsoden), uiteraard met de gevolgen daaraan verbonden. Sommige filologen hebben uit de antieke berichten over bemoeienis van Pisistratus met de Homerustekst ten onrechte willen afleiden dat Ilias en Odyssee pas in de 6e eeuw vC hun huidige vorm en hun schriftelijke redactie hebben ontvangen. Beslissend voor de tekstgeschiedenis, en vooral voor de omvang van de tekst, waren de kritische activiteiten van de alexandrijnse filologen Zenodotus, Aristophanes van Byzantium en Aristarchus van Samothrace (3e en 2e eeuw vC); veel van hun opvattingen en interpretaties vinden we terug in de omvangrijke scholia die in een aantal handschriften bewaard zijn gebleven. De alexandrijnse filologen hebben ook de beide epen elk in de 24 boeken ingedeeld, zoals we die thans kennen; oudere indelingen vervielen daardoor.

Het aantal op papyrus bewaarde langere en kortere tekstfragmenten bedroeg in 1963 voor de Ilias 486, voor de Odyssee 149; de oudste dateren uit de 3e eeuw vC, de jongste uit de 7e eeuw nC. Van de Ilias zijn ca. 200, van de Odyssee ca. 80 volledige en onvolledige handschriften bekend. De verwantschapsrelaties van deze handschriften zijn bijzonder moeilijk vast te stellen. De oudste en bekendste Iliascodices zijn de Veneti Marciani Graeci 454 (A, uit de 10e eeuw; fotografische reproductie Leiden 1901) en 453 (B, uit de 11e eeuw) en codex Townleyanus 86 (T, uit 1059) in het British Museum. De belangrijkste Odyssee-handschriften zijn de codices Laurentiani 32,24 (G) en abbat. 52 0, beide uit de 10e eeuw, en codex Palatinus Heidelbergensis 45 (P) uit het jaar 1201.

Behalve in de reeds genoemde scholia zijn de resultaten van de antieke Homerus-studie, die al in de Se eeuw vC begon, nog tot ons gekomen in het lexicon van Apollonius Sophista (ca. 100 nC), in de allegorische commentaren van Heraclitus, Cornutus (beiden 1e eeuw nC) en Porphyrius (3e eeuw nC) en in de omvangrijke commentaren die Eustathius, de aartsbisschop van Saloniki, in de 12e eeuw uit oudere bronnen compileerde. Tijdens de middeleeuwen was de griekse tekst in het Westen geheel onbekend; middeleeuwse schrijvers putten daar hun verhalen over de trojaanse oorlog voornamelijk uit de Ilias latina en uit de laat-antieke mystificaties van Dares en Dictys.

(VI) De homerische kwestie. In de oudheid gold H. vrijwel algemeen als de auteur van zowel de gehele Ilias als de gehele Odyssee. Slechts enkele geleerden, de z.g. Χωρίζοντες ('scheiders'), waren op grond van taal- en stijlverschillen en inhoudelijke tegenspraken van mening dat beide epen niet van één hand konden zijn. Op dezelfde gronden werden enkele passages of verzen als interpolaties beschouwd; sommigen lieten de Odyssee eindigen met boek 23, ven 296. In de 18e en 19e eeuw leidde nadere studie van bedoelde verschillen en tegenspraken - waaraan ook culturele oneffenheden werden toegevoegd - tot het ontstaan van de z.g. homerische kwestie. In 1715 verschenen postuum de Conjectures académiques sur l'Iliade d'Homère van François Hédeln abbé d'Aubignac, die concludeerde dat aan de Ilias meer dan één dichter had gewerkt. In 1795 publiceerde Friedrich August Wolf zijn bekende Prolegomena ad Homerum, waarin hij trachtte te bewijzen dat de Ilias pas in de 6e eeuw vC (Pisistratus-redactie) ontstaan zou zijn door de samenvoeging van oudere gedichten uit een tijd waarin het schrift nog onbekend was. In de 19e eeuw werden deze opvattingen door de z.g. analytici - mede onder invloed van romantische denkbeelden over de dichtende volksziel in allerlei varianten uitgewerkt; daarbij laten zich drie hoofdrichtingen onderscheiden:

1. Karl Lachmann (1793-1851) paste de Liedertheorie die hij op het Nibelungenlied had beproefd op Ilias en Odyssee toe en trachtte de samenstellende Einzellieder te identificeren.
2. Gottfried Hermann (1772-1848) is de vader van de z.g. Erweiterungstheorie, volgens welke een oude kern (oer-Ilias, oer-Odyssee) geleidelijk tot een groot epos zou zijn uitgegroeid door toevoeging en invoeging van latere stukken.
3. Vele en velerlei aanhangers kreeg ook de compilatietheorie van A. Kirchhoff (1826-1908): een aantal kleinere epen zou door één dichter onder één gezichtspunt verenigd zijn, zo bv. in de Odyssee een Telemachie, een Nostos-gedicht en een epos over de daden van Odysseus na zijn terugkeer op Ithaca. Als unitariërs kunnen de aanhangers van de interpolatietheorie gelden, die tegenspraken en dergelijke door interpolaties van ondergeschikte aard verklaarden.

De geringe overeenkomst tussen de resultaten van deze benaderingswijzen, zelfs waar het aanhangers van dezelfde theorie betrof, kon uiteraard weinig vertrouwen in deze vorm van wetenschapsbeoefening wekken. De gedetailleerde analyse van Ilias en Odyssee heeft echter niet alleen veel onhoudbare stellingen opgeleverd, maar ook onze kennis van alle facetten der epen ten zeerste verrijkt. Een reactie op de 19e-eeuwse hyperkritiek kwam tot stand doordat men weer meer oog kreeg voor het hoge artistieke gehalte, door vergelijking met de epiek van andere volken en vooral doordat het inzicht werd verdiept in de typische, sterk aan traditie en conventie gebonden poëtische techniek van mondeling improviserende beroepszangers, die het produkt was van een eeuwenlange, door velerlei elementen beïnvloede ontwikkeling. Zo bleken de argumenten tegen de eenheid veel zwakker dan men veelal gemeend had. Tegenwoordig zijn de meeste geleerden het er over eens dat de inhoud van Ilias en Odyssee een onmiskenbare eenheid van compositie vertoont en dat bijgevolg elk van beide één scheppende geest veronderstelt, die men de dichter van de Ilias en de dichter van de Odyssee kan noemen. Dat deze dichters een en dezelfde persoon zijn geweest is niet uitgesloten, maar onwaarschijnlijk; men dateert de Odyssee gewoonlijk één tot anderhalve generatie later dan de Ilias. Dat in beide epen oudere liederen zijn verwerkt, behoeft geen verwondering te weldren noch afbreuk te doen aan de compositorische eenheid. Velen nemen aan dat zulke omvangrijke composities niet zonder de hulp van het schrift ontstaan kunnen zijn.

(VII) Betekenis. Ilias en Odyssee zijn scheppingen van een volleerd en geniaal kunstenaar. Met eenvoudige middelen zijn weergaloze kunstwerken gecreëerd, waarin verhevenheid, aanschouwelijkheid en fijnzinnigheid met elkaar om de voorrang strijden. Niet alleen worden alle aspecten van het gewone menselijke leven - lief en leed, vreugde en verdriet, heldendaden en listen, gemeenheid en genegenheid - met grote natuurlijkheid geschilderd, H. stijgt in menig opzicht ver uit boven de menselijke maat van de samenleving waartoe hij behoorde: zo is de figuur die hem kennelijk het sympathiekst is, geen Griek, maar de trojaanse prins Hector, en Achilles stemt op het eind van de Uias grootmoedig toe in de uitlevering van het lijk van Hector aan diens vader.

H. was voor de Grieken de nationale dichter bij uitstek. Door de musische agonen werden zijn gedichten spoedig in de gehele griekse wereld bekend. In het onderwijs was hij de meest gelezen en bestudeerde auteur, zelfs de wetenschap kon niet nalaten een beroep op hem te doen. De gehele latere, ook niet-epische, dichtkunst van Grieken en Romeinen vertoont zijn diepgaande invloed.

Bijzondere aandacht verdient de grote rol die de goden in beide epen spelen - zij grijpen voortdurend in de handeling in, kiezen partij en plegen hun beschermelingen uit gevaren te redden - en de invloed die Homerus' voorstelling van de olympische goden, wier wezen overigens vol tegenspraken zit en voor ons moeilijk grijpbaar is, op het religieuze denken van de Grieken heeft gehad: de oorsprong van het antropomorfisme van de griekse godsvoorstellingen moet ongetwijfeld voor een groot deel in de gedichten van H. worden gezocht.

(VIII) Andere gedichten op naam van H. Aan H. werden in de oudheid behalve Ilias en Odyssee, maar met minder eenstemmigheid, enkele cyclische epen (epische cyclus) toegeschreven, voorts de z.g. Homerische hymnen, de Batrachomyomachia en de parodie Margites.


Lit. Recente bibliografische overzichten: A. Lesky, Forschungsbericht Homer (Anzeiger für die Altertumswissenschaft 4, 1951, 65-80, 195-212; 5, 1952, 1-24; Fortsetzungen ib. 6, 1953, 129-150; 8, 1955, 129-156; 12, 1959, 129-146; 13, 1960, 1-22; 17, 1964, 129-154; 18, 1965, 1-30). H.-J. Mette, Homer 1930-1956 (Lustrum 1, 1956, 7-86; Nachträge ib. 2, 1957, 294-297; 4, 1959, 309-314; 5, 1960, 649-656; 11, 1966, 33-69). E. Dodds/L. Palmer/D. Gray, Fifty Years (and Twelve) of Classical Scholarship (Oxford 1968) 149.

Uitgaven: Editio princeps van Demetrius Chalcondyles (Florence 1488). Beste recente edities: A. Ludwich, Homeri Carmina, Ilias (Leipzig 1902-1907). Id., Homeri Carmina, Odys sea (ib. 1889-1901). T. W. Allen/D. B. Monro, Homeri Opera 1-5 (Oxford 1902-1912; vele malen herdrukt). T. W. Allen, Homeri Ilias 1-2 (Oxford 1931). P. Vonder Mühll, Homeri Odyssea (Basel 1946 ³1962). - Met franse vertaling: P. Mazon e.a., Homère, L'Iliade 14 (Paris 1937v; vele malen herdrukt). V. Bérard, Homère, L'Odyssée 1-3 (ib. 1924v; vele malen herdrukt).

Met duitse vertaling: V. Stegemann/H. Rupé, Homer, Ilias (München 1948, ²1961). A. Weiher, Homer, Odyssee (ib. 1925, ²1961).
Bekendste nederlandse vertalingen: D. Van Coornhert, Dolinge van Ulysse (Haarlem 1561; gedeeltelijke herdruk Amsterdam 1939). C. Vosmaer, Homeros, De Ilias (Leiden 1880; vele malen herdrukt). Id., Id., De Odussee (ib. 1889; vele malen herdrukt). A. TMmerman, Homerus, Ilias (Amsterdam 1931, ³1958). Id., Id., Odyssee (ib. 1934, 1960). P. C. Boutens, Homeros' Odyssee (Haarlem 1937). M. Schwartz, H., Odyssee (Haarlem 1951, 1965). Id., Id., Ilias (ib. 1956, ²1965). J. van Gelder, H., Odyssee. De terugkeer van Odysseus ('s-Gravenhage 1959, ³1969). Id., Id., Ilias. De wil van Zeus (ib. 1963, ²1969). B. Aafjes, Homeros, Odyssee (Amsterdam 1965, ³1969).
Goede commentaren: C. Ameis/C. Henze/P. Cauer, Homers Ilias für den Schulgebrauch erklärt 1-84-8 (Leipzig/Berlin 1905-1932 = Amsterdam 1965). Id., Homers Odyssee 1-4 (ib. 1908-1920 = Amsterdam 1964). W. Leaf, The Iliad of Homer 1-2 (London 1886, ²1900-1902 = Amsterdam 1960). W. B. Stanford, The Odyssey of Homer 1-2 (London 1947v, ²1958). G.S. Kirk ed., The Iliad. A commentary 1-6 (Cambridge 1985vv). Scholia, lexica e.d.: G. Stallbaum, Eustathii Commentarii ad Homeri Iliadem et Odysseam 1-7 (Leipzig 1826-1830 = Hildesheim 1960; nieuwe editie door M. van der Valk). W. Dindorf, Scholia Graeca in Homeri Odysseam 1-2 (Oxford 1855 = Amsterdam 1962). Id. E. Maas, Scholia Graeca in Homeri Iliadem (Oxford 1875-1888). H. Erbse, Scholia Graeca in Homeri Iliadem 14 (Berlin 1969vv). H. Erbse, Scholia Graeca in Homeri Iliadem 1-6 (Berlin/New York 1969-1983). - G. L. Prendergast/B. Marzullo, A Complete Concordance to the Iliad of Homer² (Hildesheim 1962). H. Dunbar/B. Marzullo, A Complete Concordance to the Odyssey of Homer² (ib. 1962). - H. Ebeling, Lexicon Homericum (Leipzig 1880-1885). A. Gehring, Index Homericus (ib. 1891). J. Mehler, Woordenboek op de gedichten van Homeros ('s-Gravenhage/ Rotterdam 1965). B. Snell/H. Erbse/H.-J. Mette e.a., Lexikon des frühgriechischen Epos (Göttingen 1955vv; zes afleveringen verschenen).

Algemene overzichten: G. Raddatz/K. Witte (PRE 8, 2188-2247). P. Vonder Mühll (PRE Suppl. 7, 1940, 696-768). A. Lesky (PRE Suppl. 11, 1967, 687-846). GGL 1, 74-195. A. Lesky, Geschichte der griechischen Literatur² (Bern 1963) 29-98. - V. Bérard, Introduction à l'Odyssée 1-3 (Paris 1924). P. Mazon/P. Chantraine e.a., Introduction à l'Iliade (Paris 1942). A. Severijns, Homère 1-3 (Bruxelles 1943-1948, 1-2² 1944-1946). A. J. Wace/F. H. Stubbings e.a., A Companion to Homer (London 1962). R. Adrados/M. F. Galiano/l. Gill J. Lasso de la Vega, Introduccion a Homero (Madrid 1963).

Taal en stijl: K. Meister, Die homerische Kunstsprache (Leipzig 1921). H. Fränkel, Die homerischen Gleichnisse (Göttingen 1921). Id., Der homerische und der kallimacheische Hexameter (Wege und Formen frühgriechischen Denkens³, München 1968, 100-156). M. Parry L'Épithéte traditionnelle dans Homère (Diss. Paris 1928). Id., Les formules et la métrique d'Homère (Diss. Paris 1928). Id., Studies in the Technique of Oral Verse-making (Harvard Studies in Classical Philology 41, 1930, 73-147; 43, 1932, 1-50). Verzamelde werken van M. Parry uitgegeven door A. Parry, The Making of Homeric Verse (Oxford 1971). W. Arend, Die typischen Scenen bei Homer (Berlin 1933). E. Risch, Wortbildung der homerischen Sprache (Berlin 1937). P. Chantraine, Grammaire homerique 1-2 (Paris 1948-1953; 1³ 1958). R. Hampe, Die Gleichnisse Homers und die Bildkunst seiner Zeit (Tübingen 1952). G. P. Shipp, Studies in the Language of Homer (Cambridge 1953). C. Ruijgh, L'éltment achéen dans la langue épique (Diss. Amsterdam, Assen 1957). K. Strunk, Die sogenannten Äolismen der homerischen Sprache (Diss. Köln, Düsseldorf 1957). A. Hoekstra, Homeric Modifications of Formulaic Prototypes. Studies in the development of Greek epic diction (Verhandelingen Koninklijke Nederlandse Akad. Wet., Afd. Letterkunde 71, 1, 1965). J. B. Hainsworth, The Flexibility of the Homeric Formula (Oxford 1968). B. Fenik, Typical Battle Scenes in the Iliad. Studies in the narrative techniques of Homeric battle description (Hennes, Einzelschriften 21, Wiesbaden 1968).

Andere monografieën: C. M. Bowra, Tradition and Design in the Iliad (Oxford 1930). W. Schadewaldt, Jliasstudien (Leipzig 1938, aDarmstadt 1966). Id., Von Homers Welt und Werk. Aufsätze und Auslegungen zur homerischen Frage² (Stuttgart 1951, ³1965). M. van der Valk, Textual Criticism of the Odyssey (Leiden 1949). H. Lorimer, Homer and the Monuments (London 1950). D. L. Page, The Homeric Odyssey (Oxford 1955). Id., History and the Homeric Iliad (Berkeley 1929). T. B. Webster, From Mycenae to Homer (London 1958). A. B. Lord, The Singer of Tales (Cambridge Mass. 1960). K. Reinhardt, Die Ilias und ihr Dichter (Göttingen 1961). G. S. Kirk, The Songs of Homer (Cambridge 1962). M. van der Valk, Researches on the Text and Scholia of the Iliad 1-2 (Leiden 1963-1964). A. Heubeck, Die Homerische Frage. Ein Bericht über die Forschung der letzten Jahrzehnte (Erträge der Forschung 27, Darmstadt 1974; met uitvoerige bibliografie). [Nuchelmans]



Lijst van Auteurs