Dusares (arabisch dū-š-šarā, nabatees dwšr', = die
van eš-šarā), voornaamste god van de Nabateeën, getuige
de vele graf- en votiefinscripties, waarin hij ofwel
alleen ofwel als eerste van een godenreeks voorkomt.
Klassieke auteurs beschouwen hem vooral als
een vegetatiegod. Hij draagt soms de bijnaam 'de god
van onze heer (= de koning)' en misschien ook 'de
heer van het al'. Hij werd vereerd in de vorm van een
zwart blok onbehouwen steen (aldus de Suda) of in
de vorm van een stele (betyle) of een reliëfafbeelding
daarvan. Het godenbeeld speelde een zeer
ondergeschikte rol. Zijn heilig dier was de panter.
Men onderscheidde verschillende lokale manifestaties
van de godheid, zo bv. D. van Gaja. Zijn verering
was het grootst in Petra
en de Hegra. Daar
vond men vele grafinschriften, waarin het graf aan
D. wordt gewijd en onder zijn bescherming wordt
geplaatst, ter voorkoming van grafschennis. Wie de
beschikkingen inzake een graf overtrad moest soms
boete aan D. betalen. Ook in
Palmyra vond D. verering;
daar werd hij o.a. als god van de wijn beleefd
en geïdentificeerd met Dionysus (naast de
identificatie met Zeus). Ook komt hij voor in thamudische
en safaïtische inscripties.
Lit. M. Höfner/E. Merkel (Haussig, Wörterbuch der Mythologie
1, 1962, 433v). J. Hoftijzer, Religio Aramaica (Leiden
1968) 17-23; 28v (met Lit.; vgl. pl. II-D).
[Veenhof]