Dionysus


amasis
Dionysus met 2 Maenaden
Dionysus (Διόνυσος), griekse god van de levenssappen in de natuur en van de wijn. Zijn wezen is complex en in zijn mythen en cultus kan men duidelijk tweeërlei trekken onderscheiden. Als Dionysus geen oorspronkelijke griekse godheid is, maar afkomstig uit Thracië en Klein-Azië, dan heeft hij toch al vroeg zijn intrede in de griekse wereld gedaan, want zijn naam komt al voor op een van de myceense kleitabletten (Pylus Xa 102).

O. Nilsson onderscheidt in zijn analyse van de in historische tijd tot een eenheid vergroeide god twee componenten, een thracisch-orgiastische en een lydisch-phrygische, die het accent legde op het vegetatieve karakter van de god. Als vegetatieve godheid is Dionysus verwant met de voorgriekse kindgoden, die stierven en herboren werden, en met de fallische goden, zoals de kleinaziatische Priapus, die als een zoon van Dionysus gold.

Het extatisch-orgiastische karakter van Dionysus komt duidelijk naar voren in de sagen, die vertellen van mensen die zich verzetten tegen de invoering van de Dionysus-cultus en daarom door de godheid gestraft werden, zoals Pentheus en de thracische Lycurgus.

Dionysus' verering in deze vorm droeg meer een privé-karakter. Kleine cultusgemeenschappen, θίασοι, meestal bestaande uit vrouwen, vereerden de god in de winter,'s nachts en in de ruige natuur van het bergland. Met opzwepende muziek van aulos en cymbalen en door wervelende dansen brachten deze vereerders zich tot goddelijke razernij (μανία); zij traden buiten zichzelf (ἔκστασις, extase) en bereikten een moment waarop de ἐνθουσιασμός, het in bezit genomen worden door de godheid, intrad. In de orgiastische diensten verheft de mens zich, doordat hij in zijn waanzin van god vervuld geraakt, boven het leven van alle dag. De tot orgiastische extase gekomen aanhangers van Dionysus werden tot Βάκχοι en Βάκχαι (Bacchanten). De werveling waardoor de extase bereikt werd, werd nog versterkt door het zwaaien met de thyrsus-staven: met klimop en wijnranken omwonden en met een denneappel bekroonde stokken. Niet iedereen die aan de dienst deelnam kon de god in zich opnemen en het punt van de enthousiasmos bereiken, of zoals de Grieken het uitdrukten: 'Velen zijn thyrsuszwaaiers, weinigen bacchen'. Op het hoogtepunt van de religieuze dansen gingen de deelnemers zelfs zover dat ze levende dieren, die de god belichaamden, rauw verslonden: door de omofagie (ὠμοφαγία), het rauw eten van het offerdier, nam men de god in zich op.

Om de identificatie te beklemtonen kleedden de bacchanten zich vaak in dierevellen; de godheid manifesteerde zich vooral in gehoornde dieren, herten, bokken en stieren. Ook droegen de deelnemers aan de optochten ter ere van de godheid, zowel mannen als vrouwen, diermaskers. De beroemdste van die gemaskerde optochten waren die van de τράγοι, de bokken (Tragedie). Ook in de officiële cultus werden gemaskerde optochten en extatische dansen, zelfs omofagieën opgenomen, maar daar werden de extatische vereringsvormen in zoverre ingedamd dat alleen officieel erkende θίασοι eraan mochten deelnemen. Oorspronkelijk echter moeten de orgiastische feesten in de griekse samenleving als een epidemie hebben gewoed, die hele bevolkingsgroepen aantastte. Een duidelijke herinnering hieraan bezitten we in de sage van Pentheus, de koning van Thebe, die zich ondanks de waarschuwingen van de god zelf tegen de invoering van diens cultus bleef verzetten. Door goddelijke verblinding gedreven, ging Pentheus als vrouw verkleed naar het Cithaeron-gebergte, waar de vrouwen van Thebe zich reeds aan de goddelijke waanzin hadden overgegeven. Door de vrouwen, onder wie zich ook Pentheus' moeder Agaue bevond, werd hij in zijn schuilplaats ontdekt en aangezien voor een offerdier. Zij stortten zich op hem, verscheurden hem en droegen zijn hoofd, op een thyrsusstaf gestoken, de stad Thebe binnen.

De Dionysus van thracische herkomst was de god van de extatische beweging die doel op zichzelf was en losstond van de vegetatieve vereringswijze. Zijn feest viel in de winter; oorspronkelijk had de thracische Dionysus niets te maken met de lydisch-phrygische, wiens feesten in het voorjaar vielen.

De lydisch-phrygische Dionysus vertoont verwantschap met vegetatieve minoïsche kindgoden, die gedoemd zijn te sterven en te herrijzen; de god slaapt 's winters geboeid of is gestorven - in Delphi toonde men zijn graf - maar wordt in het voorjaar wakker of wordt tot nieuw leven gewekt. De kleine Dionysus werd gewiegd en gedragen in een korenwan. In de griekse godsdienst verdwenen de kindgoden om plaats te maken voor goden in de gestalte van jongemannen. Zo kwam Dionysus als jongeman van Klein-Azië naar Griekenland, volgens het verhaal van Dionysus en de zeerovers. Dionysus, die zich aan boord van een tyrrheens schip begeven had, werd door de schippers niet als god herkend. Met uitzondering van de stuurman wilden ze hem als slaaf verkopen. Maar midclen op zee maakte Dionysus zich als god bekend in verschillende dieregestalten. Van schrik sprongen de zeelieden over boord en ze werden in dolfijnen veranderd. Langs de mast deed Dionysus een wijnstok groeien en met de goede stuurman voer hij naar Griekenland.

Dionysus' komst over zee werd bij het grote Anthesteriënfeest gesymboliseerd doordat hij op een scheepswagen de stad binnentrok.

Verwant aan de vegetatiegod zijn de boomgod Dionysus Dendrites en de wijngod. Reeds Hesiodus noemt de wijn de gave van Dionysus De epifanie van de god vond plaats in stromen van melk, honing en wijn, of van wijn alleen. Op Naxus had men een wijnbron en op vele plaatsen in Griekenland kende men het wijnwonder, de verandering van water in wijn.

Onderdeel van de cultus van Dionysus als vegetatiegod waren de fallus-optochten. De god zelf was geen fallusdrager, zoals Priapus, maar zijn volgelingen, saters en silenen, droegen de fallus mee in de stoet. Plutarchus beschrijft zo'n processie: voorop een amfora, een tak van een wijnstok, een bok, een mand vijgen en de fallus.

(II) De complexiteit van de god Dionysus is ook afleesbaar aan zijn mythen, waarin trekken van de mystischorgiastische en van de vegetatieve godheid zich verenigd hebben. Dionysus was de zoon van Zeus en Semele, een dochter van Cadmus en Harmonia. De zwangere Semele, daartoe aangezet door Hera, verzocht Zeus zich aan haar te tonen als bliksemgod, nadat ze hem een eed bij de Styx had laten zweren dat hij haar wens zou vervullen. Daardoor gebonden, vertoonde Zeus zich aan haar met zijn bliksems, maar Semele, de stervelinge, kon deze aanblik niet verdragen en verbrandde. Dionysus werd op bovennatuurlijke wijze gered; hij werd in de dij van Zeus geborgen tot de dag van zijn geboorte. Daarna werd hij in het land Nysa door nimfen grootgebracht, toen bleek dat hij in Griekenland niet veilig was voor de afgunst van Hera, die Athamas en Ino, aan wie Hermes Dionysus had toevertrouwd, met waanzin sloeg.

Volwassen geworden, werd Dionysus door Hera opgejaagd. Zwervend door Klein-Azië werd hij in de cultus van Cybele ingewijd. Daarna ging hij naar Thracië, waar koning Lycurgus hem en zijn bacchanten gevangen probeerde te nemen. Dionysus bracht zich in zee bij Thetis in veiligheid, terwijl ook de bacchanten gered werden. Lycurgus werd als straf door waanzin getroffen en toen hij een boom wilde omhakken, hakte hij van zichzelf en zijn zoon de voeten af; zijn land verviel tot onvruchtbaarheid en kon hiervan slechts door zijn dood genezen. Aan Dionysus' zwerftocht was nog geen einde gekomen. Hij begaf zich naar Indië, dat hij deels gewapenderhand, deels met mystische kracht overwon; zijn zegetocht hield hij op een door panters getrokken wagen, omstuwd door saters, silenen, bacchanten en de god Priapus. Tijdens zijn overtocht naar Griekenland strafte hij de zeerovers; teruggekeerd in Griekenland, kwam hij in conflict met koning Pentheus (zie boven). Nadat Dionysus zijn goddelijke kracht voldoende getoond had, begaf hij zich onder de goden, maar eerst haalde hij nog zijn moeder uit de Hades, in ruil voor de mirre. Nadat hij zijn plaats in de hemel had ingenomen, nam hij Ariadne, die door Theseus op Naxus was achtergelaten, tot vrouw. Ook nam hij deel aan de strijd tussen goden en giganten, waarin hij Eurytus doodde.
In het begin van de 2e eeuw vC drong de Dionysus-cultus ook in Rome door (Liber). De feesten ter ere van Dionysus heetten in Griekenland Dionysia, in Italië Bacchanalia.

dionysus zeilt in boot
Dionysus zeilt in een boot en verandert zeerovers in dolfijnen
(Attische drinkschaal van Execias 540 v.C.)

(III) Van de talloze beeldende voorstellingen uit de oudheid geven de oudste Dionysus weer als een waardige man met een baard, gekleed in een lang gewaad, met een klimopkrans op het hoofd en een kantharos in de hand: zo o.a. op een amfoor van de schilder van Cleophrades in de Münchener Antikensammlung (no. 2344), op een amfoor van de Amasis-schilder in de Parijse Bibliothèque Nationale (no. 222) en het z.g. standbeeld van Sardanapalus in het Vaticaans Museum. Vanaf het eind van de 5e eeuw vC werd de god gewoonlijk afgebeeld als een jongeman met bijna vrouwelijke trekken (bv. het beeld van een naakte Dionysus in het Louvre). Beroemd zijn ook de voorstelling op een schaal van Execias te München (de god zeilt op zee in een ranke boot, omgeven door dolfijnen: zie boven) en het Dionysus-mozaïek te Keulen. Voor verwijzingen naar afbeeldingen van Dionysus en Ariadne zie s.v. Ariadne.

Lit. Homerische hymnen op D. (no's 7 en 26). Euripides, Bacchae. Ovidius, Metamorfosen 3, 253-315, 511-733. Nonnus, Dionysiaca. - F. Voigt/E. Thraemer (Roscher 1, 1029-1153). O. Kern (PRE 5, 1010-1046). E. Homann-Wedeking (EAA 3, 112-114). M. Nilsson, Geschichte der griechischen Religion 1² (München 1955) 564-601. - W. Otto, Dionysos. Mythos und Kultus (Frankfurt 1933, 31960). H. Jeanmaire, Dionysos. Histoire du culte de Bacchus (Paris 1951). K. Kerényi, Die Herkunft der Dionysos-Re1igion (Köln 1956). M. Nilsson, The Dionysiac Mysteries in the Hellenistic and Roman Age (Lund 1957). K. Kerényi, Der frühe Dionysos (Oslo/Bergen 1961). - E. Gerster, Das Dionysos-Mosaik in Köln (Bonn 1948). [Suys-Reitsma /Nuchelmans]



mythen