Nusku

Nusku, sumerisch-babylonische god, die vooral bekend is als vizier, raadsman en helper van Enlil; in Nippur werd hij vereerd in E-nusku, wel een onderdeel van de Enlil-tempel E-kur, als welks poortwachter N. ook geldt. Hij fungeert, zoals zijn symbool de brandende lamp aanduidt, vooral als licht- en vuurgod. Als zodanig wordt hij in bezweringen aangeroepen ter bescherming tegen toverij en demonen (met name in de serie Maqlū). Als lichtgod is hij de 'vorst van de nacht', die dan beschermend rondgaat, en tevens getekend wordt als droomgod, die de slapende mens meevoert. Daar het vuur essentieel is voor de offercultus, geldt hij ook als degene 'zonder wie de goden de wierook niet ruiken'.

Hij is een god van wie men bescherming tegen allerlei kwaad verwacht en wordt als zodanig in tal van bezweringen en gebeden aangeroepen. Zijn cultus is reeds bekend tijdens het 3e millennium vC; tijdens het 1e millennium vC is hij erg populair in Assyrië, met als voornaamste cultuscentrum Harran, waar hij als zoon van Sin geldt; elders geldt hij ook als zoon van An of krijgt hij een plaats in de genealogie van Enlil. Zijn echtgenote was Sadarnunna. Vanuit Assyrië is zijn cultus ook doorgedrongen in Syrië.


Lit. H.-J. Lewy (Or 17, 1948, 146-159). E. Dhorme, Les religions de Babylonie et d'Assyrie (Paris 1949) 111v. A. L. Oppenheim, The Interpretation of Dreams in the Ancient Near East (Philadelphia 1956) 298. D. O. Edzard (WMI 116v). J. van Dijk, Sumerische Götterlieder 2 (Heidelberg 1960) 108-159. - Gebeden en hymnen: JCS 4, 1950, 138v. A. Falkenstein/W. vom Soden, Sumerische und akkadische Hymnen und Gebete (Zürich 1953) sumerisch gedeelte nr. 3, akkadisch gedeelte nr. 12, 76-78. [Veenhof]


Lijst van Goden