Simson (hebreeuws šimšōn, samenhangend met šemeš 'zon'; LXX Σαμψων), een van degenen die vóór de koningstijd in Israël als richter zijn opgetreden. Ri 13-16 verhaalt een aantal episodes uit zijn leven voor en tijdens zijn optreden als richter. S. was afkomstig uit Sora, halverwege tussen Jeruzalem en de zeekust, en behoorde tot de stam Dan. Zijn geboorte was met de verschijning van een engel aan zijn ouders aangekondigd (Ri 13,1-23). Hij beschikte over een buitengewone lichaamskracht, die verloren ging toen zijn haren geknipt werden; het onderhouden van zijn haren was een plicht die hij als nazireeër op zich had genomen. Hij poogde te huwen met een filistijnse uit Timna en beleefde daarbij een aantal avonturen (Ri 14-15). S. trad niet op als bevelhebber van een leger, maar handelde gedurende twintig jaar individueel als verlosser van Israel uit de macht van de Filistijnen.
Toch had hij connecties met filistijnse vrouwen, in
Gaza met een lichte vrouw en verder met Delila,
die hem zijn ondergang zou bereiden door het afknippen
van zijn haren (Ri 16). Hij stierf toen hij als
gevangene en blinde slaaf van de Filistijnen
de tempel van de god Dagan deed instorten en bij
zijn dood meer vijanden ombracht dan tijdens zijn
hele leven (Ri 16,23-31). Het OT stelt S. voor als
een door de geest Gods bekwaam gemaakte richter.
A. van Daalen (zie Lit.) legt de nadruk op het motief
van de sterke held die zwak was door zijn liefde
voor een vrouw die aan de man het geheim van
zijn kracht wist te ontnemen.
Lit. J. Bienkinsopp, Some Notes on the Saga of Samson and
the Heroic Milieu (Scripture 11, 1959, 81-89). Id., Structure
and Style in Judges 13-16 (JBL 82, 1963, 65-76). A. van Daalen,
S. (Diss. Amsterdam, Assen 1966).
[Beek]