Exorcist (ἐξορκιστής). De praktijk van het bezweren
van boze geesten is bekend uit het NT en was ook
bij joden en heidenen gebruikelijk. Uit de eerste
tijden van het christendom bezitten wij talrijke getuigenissen
voor duivelbezweringen (o.a.
Tertullianus,
Apologeticum 23; Minucius Felix, Octavius 27;
Cyprianus,
Ad Demetrianum 14; Origenes,
Contra
Celsum 6,4). Enkele niet-officiële christelijke bezweringsformules
zijn bewaard gebleven op papyrus
en ander materiaal, magische bezweringen die te
onderscheiden zijn van de kerkelijke exorcismen. In
christelijke geschriften vinden wij verder pre-liturgische
exorcismen (bv. in de apocriefe Apostelakten).
Als kerkelijke functie is voor het eerst een
exorcista vermeld in een brief van paus Cornelius
(gest. 253), vervolgens op verschillende epitafen. In
de kerk van het Oosten was de e. iemand die het
charisma bezat van de bezwering van boze geesten,
maar daar werd hij niet tot een kerkelijke functionaris.
In het westen werd het exorcistaat de tweede
van de ordines minores (lagere wijdingen). Tot de
taak van de e. behoorde de handoplegging op de
door de duivel bezetenen en het exorciseren van de
catechumenen.
Lit. H. Leclercq (DAL 5, 964-978). J. Forget (DTC 5, 1762-1780).
Fr. Pfister (RAC 2, 169-176). - F. Wieland, Die genetische
Entwicklung der sogenannten Ordines minores in den
drei ersten Jahrhunderten (RQ Suppl. 7, 1897, 114-132; 172-174).
F. J. Dölger. Der Exorzismus im altchristlichen Taufritual
(Paderborn 1909). J. Ysebaert, Greek Baptismal Terminology
(Graecitas Christianorum primaeva 1, Nijmegen
1962).
[Bartelink]