Jacobus (Brief), afgekort als Jac, is de eerste der z.g. katholieke brieven.
(I) Canoniciteit. Jac vond aanvankelijk geen algemene
erkenning. Onder invloed van Hieronymus en
Augustinus werd hij in de 4e eeuw algemeen aanvaard.
Wegens zijn kritiek op het paulinisme verwierp
Luther Jac als 'eyn rechte stroern Epistel',
maar hij werd desondanks toch gehandhaafd in de
protestantse bijbel.
(II) Auteur, tijd en plaats van ontstaan. De schrijver noemt zich 'Jacobus, dienaar van God en van de Heer Jezus Christus' (1,1), waarmee wel niet de apostel, maar de broeder des Heren bedoeld zal zijn (Jacobus). Stijl en inhoud, kortom heel de atmosfeer van de brief wijzen in de richting van een joodse auteur, hoewel het grieks goed is. De duidelijke reactie op de paulinische leer van de rechtvaardiging door het geloof (vgl. Jac 2,24 met Rom 3,28) wijst eveneens in deze richting, want de antipaulinische houding van Jacobus is bekend uit Hand en Gal. De vraag rijst wel, of Rom vóór 62, het sterfjaar van Jacobus, reeds zozeer verbreid was, dat een dergelijke reactie mogelijk was. Misschien heeft een latere uitgever in de oorspronkelijke brief, die zuiver parenetisch van aard is, het polemische gedeelte 2, 14-26 ingelast. Dit zou ook het opvallend goede grieks verklaren. Het verdient echter de voorkeur Jac niet na 70 te plaatsen.
De brief is gericht tot 'de twaalf stammen in de verstrooiing'. Na 70 bestond er echter geen joods-christelijke gemeenschap, die deze naam wettigt en mét het judaïsme verdween ook zijn tegenpool, het paulinisme. De paulinische rechtvaardigingsleer duikt eerst met Augustinus weer in de kerkelijke literatuur op. Wanneer Jacobus, bisschop van Jeruzalem, de auteur van de brief is, staat hiermee de plaats van herkomst vast.
(III) Inhoud en vorm. Afgezien van vs 1 mist Jac
elk briefkarakter. Hij vertoont veel overeenkomst
met een hornilie, waarin gehandeld wordt (a) over de
bekoringen (1,2-18), (b) over het geloof dat zonder
de werken dood is (1,19-26), (c) over de gevaren die
de naastenliefde bedreigen, vooral in het spreken,
twisten en de wereldse gezindheid (3,1-4,12), (d) over
de rijkdom, de zorg voor zieke christenen (Zalving),
belijdenis van zonden en broederlijke terechtwijzing
(4,13-5,20).
Lit. Commentaren: P. Ketter (Freiburg i.B. 1950). H. Windisch/H.
Preisker³ (Tübingen 1951). J. Michl (Regensburg
1953). J. Moffat (London 1953). A. Ross (Michigan 1954).
F. W. Grosheide (Kampen 1955). H. Rendtorff (Hamburg
1956). A. Schlatter² (Stuttgart 1956). R. V. G. Tasker (London
1956). M. Dibelius/H. Greeven (Göttingen 1959). L.
Simon (Genève 1961). B. Reicke (New York 1964). C. L.
Mitton (London/Grand Rapids 1966). F. Mussner² (Freiburg/
Basel/Wien 1967). E. M. Sidebottom (London/Edinburgh
1967). - J. Bonsirven (DBS 4, 783-795). G. Hartmann, Der
Aufbau des Jakobusbriefes (ZkTh 66, 1942, 63-70). G. Kittel,
Der geschichtliche Ort des Jakobusbriefes (ZNW 41, 1942,
71-105). Id., Der Jakobusbrief und die apostolischen Väter
(ib. 43, 1950i51, 54-112). W. Bieder, Christliche Existenz nach
dem Zeugnis des Jakobusbriefes (ThZ 5, 1949, 93-113). G.
Eichholz, Jakobus und Paulus. Ein Beitrag zum Problem des
Kanons (Theol. Existenz Heute 39, München 1953). E.
Lohse, Glaube und Werke. Zur Theologie des Jakobusbriefes
(ZNW 48, 1957, 1-22). G. Eichholz, Glaube und Werk
bei Paulus und Jakobus (Theol. Existenz Heute 88, München
1961). G. Braumann, Der theologische Hintergrund des
Jakobusbriefes (ThZ 18, 1962, 401-410).
[Bouwman]