Romeinen (Brief)

Romeinen (Brief), een der brieven van de apostel Paulus (afkorting Rom).

(I) De aanleiding tot de brief aan de R. wordt uiteengezet in 15, 14-33: volgens zijn zeggen heeft Paulus in het Oosten geen arbeidsveld meer en daarom wil hij naar Spanje; op weg daarheen wil hij Rome aandoen om daar scheepsgelegenheid te vinden en de christenen te ontmoeten. Rom zou dan een introductiebrief zijn. Daartoe is de brief echter rijkelijk lang uitgevallen en te polemisch van toon. Paulus wil echter eerst naar Jeruzalem om daar zijn zending naar Spanje bevestigd te krijgen. Daarbij wil hij de opbrengst van de door hém georganiseerde collecte overhandigen; hij is er evenwel niet zeker van dat deze hulpactie in goede aarde zal vallen. Hieruit blijkt dat de verhouding met (een deel van) de moederkerk nog steeds gespannen is. Daar de opmerking over het gebrek aan arbeidsterrein nauwelijks au sérieux genomen kan worden, moeten we aannemen dat Paulus naar Spanje wil om eindelijk bevrijd te zijn van de tegenwerking vanuit Jeruzalem. Maar dan is Rom tevens een schets van de zelfverdediging die hij in Jeruzalem denkt te houden. De brief is waarschijnlijk geschreven te Corinthe in het begin van 58.

(II) Inhoud en bouw. Uit het bovenstaande volgt dat Rom een systematisch opgebouwd betòog is; dit is evenwel niet volgens de wetten van de westerse logica opgezet. Omdat de schrijver in gedachten steeds in gesprek is met zijn tegenstanders in Jeruzalem, maakt hij veelvuldig gebruik van elementen die kenmerkend zijn voor de diatribe. Retorische vragen markeren de voornaamste onderdelen. Graag bedient hij zich van de redeneringen der tegenstanders, die hij omkeert en tegen henzelf richt (2,1). Omdat het een gesprek onder joden is, bedient hij zich veelvuldig van de rabbijnse betoogtrant: argumentum e contrario (3,4), a minore ad maius (5,15 en 17; 11,2) en omgekeerd (5,6-10; 8,32; 11,24), het analogiebewijs (4,1-12) enz.

In grote trekken komt de bouw van de brief hierop neer: 1,17 geeft de these aan, nl. de rechtvaardiging door het geloof. Deze stelling wordt eerst negatief bewezen (1,18-3,20) en vervolgens, veel korter, positief (3,21-31). Het schriftbewijs sluit dit deel af (4). Het tweede deel (5-11) wordt gekenmerkt door uitgebreide excurseni die de gang van het betoog onderbreken. Hoofdpunten zijn het christelijk bestaan (5,1-1 1) met een excurs over de rol van Christus daarbij (5,12-21), de ethische consequenties (6,1-7,6) met een excurs over de Wet (7,7-25), de christelijke hoop (8) met een excurs over de roe:ping van de joden (9-11). De vermaning (12,1-15,13) besluit zoals gewoonlijk het geheel.

(III) De echtheid van Rom wordt door niemand meer bestreden. De vraag naar de eenheid daarentegen levert moeilijkheden op. Er moet al vroeg een kortere vorm in omloop zijn geweest, want de doxologie (16,25-27) staat in sommige handschriften na hoofdstuk 14, in andere na 14 èn 16, en soms ontbreekt zij geheel; papyrus nr. 46 heeft de doxologie na 15. Een speciaal probleem vormen de vele groeten in hoofdstuk 16, die vreemd aandoen in een brief aan een onbekende gemeente. Sommigen zien in dit hoofdstuk een begeleidend schrijven dat Paulus met de copie van Rom aan de gemeente van Ephese zond. Dit zou de aanwezigheid van Aquila en Priscilla in de lijst van groeten (vers 3) verklaren, die we tevoren in (Hand 18,18 en 26; 1Cor 16,19) en later weer (2Tim 4,19) in Epheae aantreffen.


Lit. Commentaren: K. Barth (Bern/München 1919; nieuwe bewerking: München 1922, Zürich 1978). P. Althans (Göttingen 1932, 1966). C. H. Dodd (London 1932, ³1963). A. Nygren (Stockholm 1944, Göttingen 1965). H. Asmussen (Stuttgart 1953). O. Michel (Göttingen 1955, 1967). V. Taylor (London 1956). J. Huby/S. Lyonnet (Paris 1957). F. J. Leenhardt (Neuchâtel/Paris 1957, ²1969). O. Kuss (Regensburg 1957-1959). C. K. Barrett (London 1958, ²1969). H. Ridderbos (Kampen 1959). J. Murray (London 1960-1965). H: W. Schmidt (Berlin 1962, ³1972). W. de Boor (Wuppertal 1962, ²1967). A. Lekkerkerker (Nijkerk 1962, ³1971). E. Best (London/New York 1967). F. F. Bruce (London 1971). H. Kertelge (Düsseldorf 1971). M. Black (London 1973). E. Käsemann (Tübingen 1974).
Studies: J. Düpont, Le problème de la structure de l'Epître aux Romains (RB 62, 1955, 365-397). G. Bouwman, Paulus aan de Romeinen (H. Land 12, 1959, 177-192). A. Roosen, Le genre littéraire de l'Epître aux Romains (Studia Evangelica 2, 1964, 465-471). R. Ruijs, De structuur van de brief aan de Romeinen (Diss. Nijmegen 1964). H. Bartsch, Die historische Situation des Römerbriefes (Studia Evangelica 4, 1968, 281-291). G. Klein, Der Abfassungszweck des Römerbriefes (in: Rekonstruktion und Interpretation, München 1969, 129-144). J. van Bruggen, Het raadsel van Rom 16 (Groningen 1970). H. Bartsch, Die Empfänger des Römerbriefes (Studia Theologica 25, 1971, 81-89). J. Jervell, Der Brief nach Jerusatent. Über Veranlassung und Adresse des Römerbriefes (ib. 61-73). U. Wilckens, Über Abfassungszweck und Aufbau des Römerbriefes (in: Rechtfertigung als Freiheit, Neukirchen 1974, 110-170). [Bouwman]


Afkortingen Lijst van Namen