Sesostris, griekse vorm (Σέσωστρις) van S-n-wsr-t 'de man van de Machtige (godin)', naam van drie koningen van de 12e egyptische dynastie.
(1) Sesostris I, zoon van de usurpator Amenemhêt I,
wiens mederegent hij in 1971 vC werd. Bij diens
dood, in 1962, tengevolge van een samenzwering,
snelde hij vanuit Libië, waar hij een veldtocht
leidde, naar de residentie om zich van de troon te
verzekeren. Twee jaar voordat hij, in
1926, stierf maakte hij zijn zoon
Amenemhêt II tot
mederegent. In het 18e jaar van zijn regering zette
hij de verovering van Nubië voort, die door zijn
vader was begonnen, en bouwde er de vestingen
van Buhen en Kuban. Zijn piramide ligt te Lisjt;
uit de dodentempel stammen tien grote kalkstenen
beelden van de koning, in het Museum te Kairo.
Onder zijn vele bouwwerken verdienen vermelding
de grote tempel die hij te
Heliopolis oprichtte en
waarvan alleen een obelisk nog overeind staat, en
een prachtige kalkstenen jubileum-kapel te Karnak.
Met de fragmenten die in de fundering van de 3e
pyloon gevonden werden kon zij door H. Chevrier
in het tempeldomein van Amon volledig heropgebouwd
worden.
(2) Sesostris II,
zoon van Amenemhêt II, werd in 1897
diens mederegent en stierf in 1879. Over zijn regering
is weinig bekend. Zijn piramide ligt bij Illahun.
(3) Sesostris III
volgde zijn vader S. II in 1878 vC op, nadat
hij enkele maanden samen met hem geregeerd
had. Bij zijn dood, in 1843, werd zijn zoon
Amenemhêt
III, die eveneens enkele maanden het
bewind met hem gedeeld had, alleenheerser. S. III
maakte een einde aan de macht van de provincieadel,
die gevaarlijk begon te worden, en op het
eind van zijn regering was het ambt van nomarch
bijna geheel verdwenen. Een veldtocht in Palestina
schijnt gericht te zijn geweest tegen Sekmem-Sichem.
Maar S. III voltooide vooral de verovering van Nubië, het land van het goud, van ebbenhout en ivoor. In zijn 8e jaar liet hij door de eerste katarakt een vaargeul graven, zodat zijn krijgsvloot kon doordringen tot Sernne, bij de 2e katarakt. Een reeks van vestingen die hier gebouwd werden kontroleerde de toegang van de inwoners van de Sudàn, die alleen voor handelsdoeleinden verleend werd. Deze expeditie werd door tenminste nog drie andere gevolgd. S. III heeft zijn piramide te Dahsjur.
Voor de griekse auteurs, met name voor
Herodotus
en- Diodorus, is S. een soort legendarische held,
het prototype van de grote veroveraar. Vermoedelijk
vloeien de oorlogsdaden van S. I en III samen
in één personage, dat bovendien verrijkt werd met
trekken die ontleend zijn aan het egyptische ideale
beeld van de koning en aan nationale, antiperzische
motieven.
Lit. H. Kees (PRE 2A, 1861-1876). Drioton/Vandier, L'Égypte
(Paris 1962) 251-253, 255-259, 272-275. A. Gardiner, Egypt
of the Pharaohs (Oxford 1961) 129-139, 144. K. Sethe, S.
(Untersuchungen zur Geschichte und Altertumskunde A'gyptens
2,1, Leipzig 1900). Id., ZAeS 41, 1904, 43-57. T. Säve-Söderbergh,
Ägypten und Nubien (Lund 1945). M. Malaise,
Sésostris, pharaon de légende et d'histoire (CdÉ 61, 1966,
244-272).
[Vergote]