
Gaza (hebr. 'azzāh: de sterke?; Γάζα), zeer oude kanaänitische
stad (het Damascus van het Zuiden) genoemd
in de Amarnabrieven en in egyptische en assyrische
teksten, markt voor de handel in koren, wijn, zilver
en specerijen. Reeds in de 18e eeuw vC hadden de
Mineeën er hun opslagplaatsen; de streek heeft dan
ook altijd een arabisch karakter behouden. Sinds
Thutmosis III was G. uitgangspunt voor de egyptische
penetratie in Palestina en Syrië, nog door
Seti I
versterkt. Ca. 1200 vC werd G. veroverd door
de Filistijnen (Ri 16,1.21; 1Sm 6,17). In G. stond,
evenals in Asdod, een tempel van Dagon. Ofschoon
de stad door de Israelieten officieel bij Juda gerekend
werd (Joz 15,47; Ri 1,18) moesten ze nog
onder Salomo (1Kg 5,4) en Hizkia (2Kg 18,8) om
het bezit ervan vechten. Sinds
Tiglatpileser III was
G. assyrisch bezit, dat evenwel voortdurend verdedigd
moest worden tegen inheemse opstanden en de
aanspraken van Egypte, totdat
Necho de stad veroverde
(Jr 47,1.5). In de hellenistische tijd werd G.
door de joden aangevallen (IM 11,61). In Hand 8,
26 wordt de weg van Jeruzalem naar G. genoemd.
Nu gazze. De opgravingsberichten van W. Flinders
Petrie (Ancient Gaza, London 1931/52) hebben betrekking
op tell 'aggūl, dat door Petrie ten onrechte
met G. geïdentificeerd werd.
Lit. BRL 172-174. Abel 2, 327v. M. A. Meyer, History of
Gaza from the Earliest Times to the Present Day (New York
1907). R. Reitler, Kleinfunde aus Gaza (ZDPV 77, 1961, 8792).
[v. d. Born]