Nijl is de aan het griekse Νεῖλος ontleende naam
(misschien van berbers lil 'water, stroom, zee' stammend,
zie Lit. Vycichl) van de rivier die in het egyptisch
itrw '3 'de grote stroom' luidt; vandaar koptisch
yerò en hebr. ye'or. Met zijn 6500 km is de
N. de langste rivier van de wereld. Hij ontspringt
nabij de evenaar aan het Victoriameer, vloeit door
het Albertmeer en voert het water af van een ontzaglijk
stroomgebied, dat Soedan en het hoogland
van Ethiopië omvat. In Soedan vloeit hij door steppen,
daarna door woestijnsteppe en stroomt dan de
woestijn binnen. Na hier zes stroomversnellingen
gevormd te hebben bereikt hij bij
de z.g. 1e katarakt, bij Aswàn, het eigenlijke Egypte.
Zijn vruchtbare vallei en Delta zijn gevormd door de kiezels en het grind die de N. hier sinds de quartaire periode aangespoeld en met slib bedekt heeft. Toen gedurende het neolithicum de verandering van het klimaat de gebieden aan beide zijden tot woestijn omschiep, werd de vallei het laatste toevluchtsoord der mensen en Egypte werd toen in letterlijke zin, naar het woord van Herodotus 2, 5, een geschenk van de N.
Het land blijft slechts leefbaar dank zij de jaarlijkse overstroming. Begin juni stijgt de N. nabij Aswàn en twee weken later wordt het verschijnsel te Kairo merkbaar. Geleidelijk treedt hij buiten zijn oevers; de overstroming neemt eind juli een sneller tempo aan en bereikt in het begin van september en in oktober twee toppen. Vanaf november wordt zij langzaam minder. De verklaring van dit verschijnsel werd eerst in het begin van deze eeuw gevonden.
De overstroming dankt haar ontstaan aan de zuidoostpassaat, die over het zuidelijk halfrond waait en de zomerregens veroorzaakt in Indië en Centraal-Afrika. Daardoor stijgt de N. en de plantenresten die hij uit de equatoriale moerassen meevoert geven hem een groenige kleur. Uitlopers van deze wind strekken zich op het noordelijk halfrond uit tot in Ethiopië, waar de regen bij stromen neervalt. De watervloed, rood gekleurd door het meegevoerde slib, daalt van het hoogland af langs de Sobat, de Blauwe N. en de Atbara en bewerkt vanaf juli de eigenlijke overstroming in Egypte.
De Egyptenaren zagen in de N. een deel van Nun, het oerwater waaruit de wereld geschapen is en waarop zij drijft. Het welt uit de aarde op langs een of twee rotsholen bij Elephantine en doet zo de overstroming ontstaan. Deze wordt gepersonifieerd door Hapy (h'py), een postpubertaire eunuch, volgens anderen een hermaphrodiet, die door vroegere auteurs voor de Nijlgod werd gehouden (vgl. RÄR 525-528). Omwille van het dualisme werd ook een 'Huis van Hapy' nabij het huidige Oud-Kairo gesitueerd, dat de overstroming van de Delta verzekert.
Een andere opvatting, die het wassen van de N. aan
de tranen van Isis toeschrijft, is van latere datum en
schijnt op een woordspeling met de term voor 'weeklagen'
te steunen. Buiten de mythologie werd beweerd
dat de noordenwind, die vooral 's zomers
waait, het uitvloeien van de N. in de zee belemmert
en zijn wateren doet zwellen.
Een ander facet van de N. waarover verschillende
meningen heersen betreft het getal der rivierarmen
en van de mondingen in de Delta (zie Gardiner 2,
153*-170*).
Over de rol van de Nijl als verkeersader
zie Egypte.
Lit. H. E. Hurst, The Nile. A General Account of the River
and the Utilization of its Waters (London 1952). M. I. Attia,
The Nile Basin. A Short Account of its Topography, Geology
and Structure (Bull. Inst. Fouad Ier du Désert 1, 1951, 107-120).
W. Vycichl, Neilos, Nilus, Bah.r en-Nil. Woher kommt
die Bezeichnung 'Nil'? (Riv. Studi or. 32, 1957, 279-281). A.
de Buck, On the Meaning of the Name H'PJ (Orientalia
Neerlandica, Leiden 1948, 1-22). Ph. Derchain, Les pleurs
d'Isis et la crue au Nil (CdE 43, 1970, 282-284). De verschillende
meningen over de oorzaak van de overstromingen bij:
B. H. Stricker, De overstroming van de N. (Mededelingen en
Verhandelingen Ex Oriente Lux 11; Leiden 1956). [Vergote]