
Phoenice
(Φοινίκη), polis van de epirotische Chaones
bij het huidige Finiq in Albanië, ca. 17 km ten noorden van Buthrotum.
Er is vanaf de 5e eeuw vC tot in de Byzantijnse tijd een nederzetting
geweest. P. verschijnt in de 4e eeuw op de Theorodokenlijsten van
Epidaurus en Argos. Na de val van het koningschap in 232 vC was P.
de hoofdstad van de bond van Epiroten. In de 3e/2e eeuw was P. de
welvarendste en meest versterkte stad in Epirus; in 230 werd P. kort
door de Illyriërs ingenomen (Pol. 2,5,3 - 8,4). Bij het einde van
de 1e Macedonische Oorlog werd in 205 de vrede tussen Philippus V en Rome
in P. gesloten (Liv. 29,12,11-16); bij het einde van de 3e Macedonische
Oorlog ontstond er in P. onrust door het gedrag van Charops (Pol.32,5ev.). In de 5e en 6e
eeuw nC was P. bisschopszetel, onder Iustinianus werd de stad
vernieuwd (Proc.Aed. 4,1,37). De stad werd o.i.v. de inval van de Slaven
opgegeven.
Poseidon, Artemis en Athene werden in P. vooral vereerd.
Lit. NP 9, 935. D. Budina, Phoinice à la lumière des recherches archéologiques recentes (Iliria 16/1, 1986, 113-121).