
Sutû (Soetoe), bevolkingselement van het oude
Mesopotamië, dat in stamverband en overwegend
nomadisch leefde en vooral geconcentreerd was
langs de middenloop van de Eufraat tussen Rapiqum
en de monding van de Balich. De S. komen
voor vanaf het begin van het 2e millennium tot in
het 1e millennium vC. Hun optreden vertoont door
de eeuwen heen dezelfde trekken: het waren onafhankelijke,
vooral nomadische groepen, die belust
op buit en gevangenen razzia's ondernamen in een
wijde omgeving, tot in Midden-Babylonië, Tadmor
(Palmyra) en
Qatna in Syrië toe. Daarnaast lieten
ze zich in groepen soms monsteren als huursoldaten
of individueel als personeel of client. Hun namen,
vooral bekend uit de oudbabylonische tijd (met
name uit Mari stammen veel gegevens), zijn
westsemitisch of amoritisch (Jaškit-El, Hazirum,
Hatni-Samas e.a.). Vanuit hun kerngebied in het
noorden van de syrisch-arabische steppe drongen
ze in groepen door in Babylonië (ze waren eens bij
Larsa gelegerd) en Syrië (Idrimi van Alalach overnachtte
bij hen in de steppe ten zuiden van Emar).
Als ongeregeld element en huursoldaten komen we
de S. tegen in Ugarit, in de Amarna-correspondentie
en in hethitische teksten uit de 14e eeuw vC. In
de 11e eeuw vC werden ze voor Noordwest-Babylonië
een ernstige bedreiging, toen ze samen met de
Arameeërs het land binnendrongen, en o.a.
Sippar verwoestten; ook in de 9e en volgende
eeuwen was er vaak militair contact met de S.,
die in de 8e eeuw samen met de
Arameeërs in
Zuidoost-Babylonië verschenen. Ze worden in de
assyrische bronnen niet steeds van de Arameeërs
onderscheiden. Ze fungeren als hulptroepen van
chaldeese koningen en worden nog in de 7e eeuw
als 'tentbewoners' aangeduid. Hun invloed blijkt
o.a. uit de verering van Sutitu, 'de soetische godin',
in Borsippa vanaf de 8e eeuw vC, waar ze als
kind van Istar wordt beschouwd.
Lit. J.-R. Kupper, Les nomades en Mésopotamie au temps
des rois de Mari (Paris 1957) 83-145. J. A. Brinkman, A
Political History of Post-Kassite Babylonia (AnOr 43, Rome
1968) 285-288. [Veenhof]