Ambrozijn (ἀμβροσία, latijn ambrosia), godenspijs in de griekse mythologie, zoals nectar de godendrank was. De goden gebruikten a. en nectar om zich onsterfelijkheid en eeuwige jeugd te verzekeren (vgl. Homerus, Ilias 5, 341v en Pindarus, Olympische Oden 1, 60vv); het godenbloed (ἰχώρ) werd erdoor gevoed. De a. werd door Hebe en Ganymedes opgediend.
Waarschijnlijk dachten de Grieken zich de
a. als geïdealiseerde honing, zoals nectar een honingdrank
was. Toch is de voorstelling reeds bij Homerus
onduidelijk: a. komt ook als zalf en als een soort
balsem voor. De zoete geur blijkt uit Odyssee 4,
445v, waar de godin Eidothea
Menelaüs en zijn
gezellen door a.-zalf tegen de robbenlucht behoedt.
Ilias 19, 38-39 wordt een lijk door a. tegen bederf
gevrijwaard. Soms vinden we a. als drank (vgl.
Athenaeus 39a; reeds Odyssee 9, 359 wijst in deze
richting).
Lit. W. H. Roscher (Roscher 1, 280-282). - Id. Nektar und
Ambrosia (Leipzig 1883). [Bartelink]