Democratie

Democratie (δημοκρατία, letterlijk 'heerschappij van het volk'). Met deze term, die het eerst voorkomt bij Herodotus (6, 43) maar reeds aan Aeschylus (Smekelingen 604) bekend geweest moet zijn, werd door de Grieken - en wordt ook thans nog - de staatsvorm aangeduid waarin de politieke soevereiniteit bij het gehele volk berust. Deze staatsvorm is in de 6e en 5e eeuw vC in Griekenland ontstaan dank zij een groeiend besef van ἰσονομία ('gelijkgerechtigheid') onder de burgers, waarvan de eerste sporen reeds in de gedichten van Homerus en Hesiodus te vinden zijn. De stadsstaat Athene, waar de democratische staatsvorm door de hervormingen van Clisthenes in 508/507 werd ingevoerd, geldt - althans voor zover het de 5e eeuw vC tot ca. 425 betreft - als de volmaakte griekse d., die ook het voorbeeld voor vele andere steden werd. Haar idealen zijn weergegeven in Pericles' beroemde lijkrede op de eerste gevallenen van de peloponnesische oorlog (Thucydides 2, 35-46).

De soevereiniteit en de wetgevende macht berustten in de antieke d. bij de volksvergadering, waar iedere burger vrijelijk zijn mening kon uiten en die besluiten nam bij meerderheid van stemmen. De uitvoerende macht lag in handen van een raad en van colleges van magistraten, waarvan de samenstelling voortdurend wisselde en het lidmaatschap in beginsel voor allen openstond. Dit kon uiteraard niet beletten dat er - vooralsnog uit de oude adellijke families stammende - volksleiders (δημαγωγοί) optraden (Pericles), hetgeen eigenlijk met een ideale d. in strljd was. Reeds tijdens de peloponnesische oorlog leidde dit tot ernstige misbruiken: leiders als Cleon, Alcibiades en Cleophon misbruikten hun invloed voor persoonlijke voordelen. In de 4e eeuw vC ontaardde de atheense d. tot een baatzuchtig touwtrekken tussen partijleiders, die gesecondeerd werden door een venvende en wispelturige achterban.

De meeste griekse wijsgeren beschouwen de d., en a fortiori haar ontaarding, de ochlocratie ('heerschappij der massa'), als een slechte staatsvorm. In de romeinse republiek berustte de soevereiniteit bij senaat en volk (senatus populusque Romanus), een mengvorm van aristocratie en d. De democratische ideeën waren in Rome belichaamd in de - beperkte - wetgevende macht der volksvergadering en de keuze van de magistraten door het volk.


Lit. Von Schoeffer (PRE, Suppl. 1, 1903, 346-374). - T. Glover, Democracy in the Ancient World ( 1927). A. Debrunner, Δημοκρατία (Festschr. E. Tièche, Bern 1947, 11-24). V. Ehrenburg, Origins of Democracy (Historia 1, 1950, 515-548). G. Vlastos, Isonomia (Am. Journ. of Phil. 74, 1953, 337-366). A. Jones, Athenian Democracy (Oxford 1957). J. Oliver, Demokratia, the Gods and the Free World (Baltimore 1960). [Nuchelmans]


Register