Stadion (στάδιον),
(1) naam van de oudste en eenvoudigste standaardvorm van de wedloop (δρομος) bij de griekse gymnische agonen, nl. het hardlopen over een afstand van een stadie; de lengte van de stadie verschilde sterk van plaats tot plaats, maar tendeerde in de hellenistische en romeinse periode steeds meer naar een uniformering op ca. 185 m.
(2) s., algemene griekse benaming voor de baan waarop de diverse categorieën van hardloopwedstrijden plaats hadden bij de gymnische agonen, ontleend aan de naam van de lengte van de renbaan, die ongeveer één stadie of stadion bedroeg en bijgevolg sterke verschillen kon vertonen (zie stadie): in Olympia was de baan 191,78 m lang, in Delphi 178,35 m, in Athene (2e eeuw nC) 184,96 m, in Epidaurus 181,30 m. De breedte varieerde tussen de 15 en 40 m. De baan zelf bestond uit aangestampte aarde en was afgebakend door een stenen rand of goot. De startlijn heette ἄφεσις (en werd in de loop der tijden uitgerust met allerlei vernuftige startmechanismen), de finish τέρμα bij de dubbele s.-loop (δίαυλος) moesten de lopers daar keren en teruglopen naar de ἄφεσις.
(3) s., door betekenisverruiming van (2) ontstane
naam van het gehele complex van renbaan met
belendende voorzieningen voor atleten, jury en
publiek. Oorspronkelijk werd een s. bij voorkeur in
een kleine terreinsleuf aangelegd en stonden of
zaten de toeschouwers op de hellingen aan weerszijden
van de baan, soms ook in een boog rond de
finish. In de hellenistische en romeinse periode
werd, naar het voorbeeld van de theaters, het s.
steeds meer verfraaid en werden vooral de toeschouwersplaatsen
comfortabeler ingericht, waardoor
het s.-type ontstond zoals Herodes Atticus
dat in Athene ca. 140 nC in pentelisch marmer liet
uitvoeren bij de renovatie van het s. uit de 4e eeuw
vC (van 1895 tot 1906 geheel gereconstrueerd;
ruim 60.000 zitplaatsen). Op vele plaatsen, vooral
in het Nabije Oosten, maakte het s. deel uit van het
gymnasium. In de westelijke
helft van het romeinse
rijk is het s. nauwelijks doorgedrongen; de
Romeinen gaven de voorkeur aan de sensatie van de
wagenrennen, die gehouden werden in een
circus,
dat vele elementen aan het hellenistische s. ontleend
heeft. In totaal zijn van meer dan 25 antieke
stadions resten of sporen teruggevonden; het
beroemdste, dat van Olympia,
is van 1958 tot 1960
blootgelegd.
Lit. J. Jüthner/E. Fiechter (PRE 3A, 1963-1973). P. Sommella
(EAA 7, 464-468). - W. Zschietzschmann, Wettkampf- und
Übungsstätten in Griechenland 1. Das Stadion (Schorndorf
1960).
[Nuchelmans]