Boethus (Βόηθος), griekse eigennaam van onder meer twee wijsgeren:
(1) Boethus van Sidon (2e eeuw vC), wijsgeer
van de Midden-stoa,
leerling van Diogenes van Babylon. Hij
bracht aanzienlijke veranderingen in de traditionele
leer van de Stoa aan. Evenals Diogenes en Panaetius
loochende B. de algemene wereldbrand
(ἐκπύρωσις). Ook op de pantheïstische godsvoorstelling
van de oude Stoa leverde hij kritiek: de
kosmos viel volgens B. uiteen in een goddelijk deel,
de vaste sterren, en een deel dat niet goddelijk was.
Van zijn werken zijn slechts elf fragmenten bewaard
gebleven.
Lit. H. von Arnim (PRE 3, 601-603). - Fragmenten bij H.
von Amim, Stoicorum Veterum Fragmenta 3 (Leipzig 1923)
265-267. M. Pohlenz, Die Stoa. Geschichte einer geistigen
Bewegung 1 (Göttingen 1948) 581vv.
(2) Boethus van Sidon (1e eeuw vC),
peripatetisch wijsgeer,
leerling van Andronicus van Rhodus en studiegenoot
van de geograaf Strabo. Na de dood van
Andronicus schijnt B. hoofd van de peripatetische
school in Athene te zijn geweest. In elk geval zette
hij Andronicus' werk als uitgever en commentator
van Aristoteles' geschriften voort. Door de latere
Aristoteles-commentatoren wordt zijn grote scherpzinnigheid
geroemd. Stukken uit een commentaar
van B. op Aristoteles' Categorieën zijn bewaard
gebleven in Simplicius' commentaar op hetzelfde
werk (Commentaria in Aristotelem Graeca 8, Berlijn
1907). Volgens B. dient de studie van de wijsbegeerte
met de physica aan te vangen. Hij nam aan
dat de vorm geen substantie en dat de ziel stoffelijk
is.