Udug

De sumerische term udug en het daarop gebaseerde akkadische leenwoord utukku duiden de leden van een niet precies te definiëren kosmisch proletariaat aan, en soms ook de zielen van de doden (etemmu). Daar u. niet als afleiding of samenstelling van bekende sumerische wortels verklaard kan worden, blijft de connotatie onbekend. In principe is een u.-geest neutraal; zijn houding tegenover de mensheid wordt bepaald door zijn relatie tot de goden en hun boven. Over de u.- eesten die als udug-kul (akkadisch utukku lemnu), 'boze udug geest', optreden is het meest bekend; er zijn twee soorten.

1. Een groep van vaak zeven u. zonder woonplaats, taak, of legale familiebanden met goden, wier afkomst vaag is; net als bepaalde ziekten zijn ze een kosmisch toevalsprodukt, bastaards van de hemelgod Anu (regen) en de aarde. Geboorte en opvoeding vinden plaats ver buiten de bewoonde wereld, in de bergen van het oosten en de woestijnen van het westen. Zij zijn geslachtsloos, hebben vrouw noch kind, leven in aardspleten of op verlaten landerijen, en zwerven 's nachts door de straten van de stad. De kinderrovende vrouwelijke demon Lamastu is hun zuster. In tegenstelling tot de goden, die met familie en knechten door de speciaal hiertoe geschapen mens in hun tempels verzorgd worden, profiteren zij niet systematisch en rechtvaardig, maar toevallig en willekeurig van de mensheid. Slachtoffer is vooral de zondaar, die tijdelijk de bescherming van zijn vertoornde persoonlijke god moet ontberen.

2. U. verbonden aan godenhoven kunnen optreden in voor de mens onaangename functies: als gallû, soldaat van de onderwereld, of als rābisu, dienaar van de goddelijke rechtbank. De term u. kan zelfs gebruikt worden om Namtar, het vergoddelijkte doodslot, te karakteriseren. Boze u. worden ook wel voorgesteld als gezanten van de mens minder welgezinde goden zoals Anu, Enlil, of de oorlogs- en pestgod Erra. Boze u.-geesten, wier aanwezigheid zich openbaart in onbehagen, onverklaarbare angst of vatbaarheid voor ziekten, worden bestreden met hulp van de goden, die hun menselijke knecht bij zijn plichtsvervulling gestoord zien. De meeste bezweringen met dit doel zijn verzameld in een bilingue tablettenserie utukkū lemnūtu ('boze geesten') uit het 1e miliennium vC, die teruggaat op veel oudere eentalige sumerische teksten.

Mogelijk vanwege een afschrikwekkend uiterlijk kan de mannelijke u.-geest als poortwachter in dienst van de goden ook een voor de mens minder ongunstige taak hebben. Aan poorten van tempels verschijnt hij naast de waarschijnlijk niet anthropomorfe alad/šēdu-geesten en de vrouwelijke lamar/ lamassu, wier taak het is de bezoeker bij de god te introduceren. In dit verband ontwikkelde zich de term u. tot een algemeen woord, dat de laagste poortwachter-goden en -godinnen aanduidt, een gebruik dat vooral in de godenlijsten wordt aangetroffen. De vaak kunstmatige namen van deze goden en godinnen verraden hun heterogene achtergronden. Zo zijn Lumma en Hadanis de vergoddelijkte beelden van twee oude koningen, is Irhan een waarschijnlijk slangvormig voorgestelde riviergod, 'Zevenkoppige hond' een monster, bieden de twee u. van Marduks tempel de vermoeide reiziger was- en drinkwater aan, en spreken weer andere een vriendelijk woord.

Misschien daartoe door de goden bewogen. kunnen bepaalde u. - het akkadisch gebruikt in dat geval de term sedu - zich samen met een goede lamar als goede u. aan een mens of zijn huis verbinden. Aanwezigheid van een goede u. en een goede lamar drukt kennelijk een gewenste toestand van vrede en veiligheid uit; in deze zin is 'goede u.' een term uit de babylonische psychologie, die wel vertaald wordt met 'levenskracht', 'geluk.

Behalve van de u.-poortwachtergeest bestond ook van het uiterlijk van de goede en de boze u. een bepaalde voorstelling, en kunnen we er afbeeldingen van verwachten; die zijn echter nog niet geïdentificeerd.


Lit. A. Falkenstein, Die Haupttypen der sumerischen Beschwörung literarisch untersucht (Leipzig 1931). W. von Soden, Die Schutzgenien Lamassu und Schedu in der babulonisch-assyrischen Literatur (Baghdader Mitteilungen 3, 1964, 148-156). [Wiggermann]


Lijst van Goden