De Romeinen hadden met de
godsdienst een 'praktische' verhouding, zozeer dat
Cato Maior volhield dat de betrekkingen tussen de mensen en de goden in een soort
contract waren vastgelegd.
Typerend is hun zegswijze: do ut des n34;ik geef opdat u geeftn34;.
Zij hadden geen problemen om in hun Pantheon, dat gebaseerd was op de
n34;trias capitolinan34; (Iuppiter,
Iuno en Minerva),
de goden van de verschillende volkeren in te voegen
waarmee zij in contact kwamen: Grieken, Egyptenaren, Syriërs, Perzen, terwijl zij hen lieten
versmelten met de andere goden van de provincie.
Zij verkozen de godsdiensten die uit Griekenland kwamen, die zich zozeer met die van de Romeinen
vermengden dat er tenslotte een enkele Grieks-Romeinse godsdienst ontstond.
Maar vooral in de keizertijd zouden andere, meer exotische godsdiensten favoriet zijn in Rome:
die van de Egyptische godin Isis,
van de god Mitras
de Indo-iranische godheid, en van de zon,
Helios.
Tenslotte won een andere cultus uit het Oosten, het Christendom, het van alle andere.