Apollo en Cumae


De oorsprong van de cultus van Apollo op de akropolis van Cumae ligt in mythe en 
legende.
Een van de interessantste bronnen is de Aeneis. Teruggrijpend op oude tradities, vertelt Vergilius in het vierde boek hoe Daedalus, vader van de ongelukkige Icarus en geniale maker van automaten en mechanische instrumenten, eenmaal gevlucht uit het labyrint van Knossos bescherming vond op de akropolis van Cumae. Dankbaar voor het feit dat hij ontsnapt was aan de vernietiging van zijn wassen vleugels richtte hij op die hoogte een tempel voor Apollo op, symbool van de vernietigende zon, en wijdde hem zijn buitengewone kunstmatige vleugels. Boven de gouden poorten van de tempel beitelde Daedalus persoonlijk de gebeurtenissen in, die verbonden waren aan de oorsprong van het heiligdom: het zijn de oude Cretenzische legenden van het labyrinth van Knossos, van de Minotaurus, van Ariadna. Andere versies van de mythe willen dat Daedalus daarentegen geland is op Sicilië (Diodorus Siculus, Pausanias), of op Sardinië (Sallustius).

Het feit Vergilius zijn toevlucht neemt tot de persoon van Daedalus om de aanwezigheid van de cultus van Apollo in Cumae uit te leggen, laat hoe dan ook de kennis zien van een ver verwijderd verleden. Met Apollo zou inderdaad deze stichting van Cumae verbonden zijn, als hij het bericht kende vermeld door Velleius Patercolus (I, 4, l) en daarna door Statius (Silv., III 5, 79) volgens welke de god de koers zou hebben aangegeven aan de Chalcidische kolonisten in de gedaante van witte duif of door middel van ververwijderd geluid van tamboerijnen.

Apollo wijst, in zijn hoedanigheid van zonnegod, de weg naar het Westen: en het is gewoon te te denken dat zijn Cumaanse cultus, tegelijk met die van andere goden zoals Demeter of Hera, een neerslag is van de Chalcidische kolonisatie. Toch heeft men alleen indirect documentatie over de cultus van Apollo in de 1e eeuwen van het leven van Cumae, in de latere bronnen van de keizertijd. Zeer ingewikkeld is bijvoorbeeld de verhouding in de religieuze traditie van Cumae, tussen Apollo en Hera, die zeker geen tweede plaats moest hebben in de godsdienst van de stad, zoals de vondst zou kunnen tonen van 2 votiefschrijnen, blijkbaar aan de godin gewijd, en van een bronzen schijf met een inscriptie met de naam Hera. Hetzij Hera oorspronkelijk de 1e godheid was bij het orakel, of alleen bij het nekyomantheion van het Avernische meer, zoals gesuggereerd is, of rechtstreeks dat zij, en niet Apollo, de eerste godheid was van de kolonie - was de rol van Apollo tussen het einde van de VIe eeuw en het begin van de Ve eeuw v.C. (waarschijnlijk door de invloed van het orakel van Delfi, of door het aandringen van de tiran Aristodemus), bepalend in het religieuze leven van de stad.

Het schijnt ook waarschijnlijk dat vanuit de Campaanse stad de cultus van de god in Rome in 431 v.C. geïntroduceerd is, toen als gevolg van een epidemie, voor Apollo medicus een tempel voor Apollo op de Campus Martius was opgericht: buiten het pomerium, zoals gebruikelijk voor de niet-Romeinse goden. De Romeinse Apollo schijnt in deze hoedanigheid dus gekarakterizeerd te worden door een van de meer archaïsche trekken van de god; nl. die trek die verbonden is aan het kunnen opleggen van ziektes en aan het genezen. In Cumae daarentegen, onderscheidt Apollo zich, als is hij niet helemaal zonder het genezende karakter, bovenal door het voorspellende aspect krachtens de associatie met het Sibyllijnse orakel.

Ook wanneer met de Romeinse verovering de Cumaanse cultus langzaam achteruit begon te gaan bleef de roem van het orakel intact en werd nog langzamerhand groter zodat de Libri Sibillini (die niet uitsluitend Cumaans materiaal verzamelden) een positie begonnen in te nemen met groter reliëf in het reiligieus-politieke systeem van Rome.

De voorspellingskunde van Apollo van Cumae vond niet alleen uitdrukking in de orakels van de Sibylle, maar ook in de signa, direct gezonden door de god. Het schijnt bijvoorbeeld dat vaak genoeg het fenomeen zich herhaalde van het wonderlijk gehuil van het houten beeld van de god, vooral in het geval van nederlagen van de Grieken door de schuld van de Romeinen. Het prodigium werd duidelijk, bijvoorbeeld in 191/0 (oorlog tegen Antiochus van Syrië) en in 169 v.C. (oorlog tegen Perseus van Macedonië) en bij deze gelegenheden werd de god verzoend met offergaves en geschenken van de kant van de Romeinse overwinnaars. Wanneer het beeld echter nog in 130 v.C. huilde gedurende de anti-Romeinse opstand opgewekt in Klein-Azie door de usurpator Aristonicus, interpreteerden de Romeinen het fenomeen als een zeer vijandig teken en zouden het beeld in zee gegooid hebben, als niet de tussenkomst van de Cumaanse senes het had gered.

De zwaarte van de Romeinse reactie heeft, afgezien van het feit dat hij het prestige bevestigde waarin Apollo van Cumae zich nog verheugde, ook doen denken aan een invloed uitgeoefend op de priesters van het heiligdom door Blossius, vriend en meester van Tiberius Gracchus, begunstiger van de demokratie en energiek tegenstander van de Romeinse aristokratie. Hij, tot ballingschap gedwongen na de dood van Tiberius, had precies bij Aristonicus zijn toevlucht gezocht en moest zeker, als lid van de beroemdste families in Campanië en als burger van Cumae connecties hebben met de leden van de aristokratie van Cumae.
Hoe het ook zij, het was Octavianus, aan het einde van Ie eeuw v.C, die een nieuwe impuls gaf aan de cultus van Apollo, door van de god een van de spillen te maken van zijn plan voor religieuse vernieuwing en voor persoonlijke propaganda.

Zo'n operatie vond een ideale voedingsbodem in het klimaat van verwarring en van crisis, in Rome veroorzaakt door een eeuw van burgeroorlog, die een sterke neiging naar vormen van millenarisme zou hebben begunstigd waarin goden zoals Apollo, of Cybele, door hun genezende en profetische karakter, uitstekend pasten. Symptomatische uitdrukking van dergelijke verwachtingen is de de IVe ecloga van de Bucolica van Vergilius gemaakt omstreeks 40 v.C., waarin, op grond van een Cumaans orakel, de geboorte van een persoon wordt aangekondigd die een nieuw gouden tijdperk zou zijn begonnen onder de auspicien van Apollo, door orde en voorspoed te brengen.

Nu komt de eindtijd die in Cumae is voorspeld:
de grootse gang der eeuwen neemt een nieuw begin;
Nu keert de Maagd, nu keert Saturnus' rijk terug,
nu daalt een nieuw geslacht hoog uit de hemel neer.
Als 't kind geboren wordt waarvoor het 't geslacht van ijzer
verdwijnt en overal 't geslacht van goud ontstaat,
behoed het, kuise Maan: reeds heerst uw broer, de Zon.
Vergilius, Ecloga 4, vss.4-10

Wanneer, met de slag van Actium (31 v.C), Octavianus zich verzekerde van de absolute controle van de Romeinse res publica, riep hij over zijn persoon de verwachtingen af waarmee hij zich heeft aangeduid, terwijl hij zich voorstelde als de insteller van het nieuwe tijdperk van vrede, voorzien door het orakel, krachtens een zogenaamde goddelijke protectie, in het bijzonder van Apollo. De overwinning in de verheerlijkende visie van de Augusteïsche poesie zal bepaald zijn door de tussenkomst van de god, van wie een vervallen tempel zich verhief, even van de plaats van de strijd. Apollo zou persoonlijk afgedaald zijn naar de vlakte terwijl hij met zijn boog de menigte monstrueuse Nijlgoden in verwarring bracht die Cleopatra bijstonden; het is deze episode die als een voorspelling het centrum vulde van de decoratie van het schild van Aeneas, in het VIIIe boek van de Aeneis.

Het verband tussen Octavianus Augustus en Apollo zou achtereenvolgens de basis zijn geweest voor legendes; de meest veelbetekenende, misschien uit oosterse bron (vermeld door Suetonius), wil gewoonweg dat hij verwekt is door dezelfde god in de vorm van een slang. Na de overwinning haastte Octavianus zich de tempel van Apollo van Actium te restaureren en liet hij, drie jaar later, voor de god als een gigantisch ex-voto een nieuw heiligdom wijden op de Palatijn, precies naast zijn eigen verblijf. Naar deze tempel, aan de voeten van het grote beeld van de citherspelende Apollo liet hij de oude orakels van Cumae overbrengen. Verzekerd van de overwinning is het nu voor de pacator orbis, tijd om voor de god de boog neer te leggen en de cither op te nemen, om zich nu alleen aan vredelievende gezangen te wijden. Ook de Libri Sibillini kunnen nu definitief samengesteld zijn: hun boodschap is voltooid, het zal niet meer noodzakelijk zijn ze te raadplegen.


Marmeren standbeeld van citherspelende Apollo. Napels, Museo Archeologico Nazionale. Collezione Farnese.
Het is niet verrassend dat, in deze tijden, ook de tempel van Cumae ook het onderwerp van een monumentale restauratie was. Cumae werd inderdaad een soort heilige stad van het Augusteïsche regime, de tempel is het symbool en de getuigenis van de oude alliantie van Apollo met de gens Iulia, bestemd om, d.m.v. de Sibyllijnse profetiën (voorafgebeeld door die van Anchises aan zijn zoon Aeneas), de loop van de toekomstige geschiedenis van Rome te begeleiden.
In de Aeneis, het meesterwerk van de Augusteïsche poezie, maar misschien ook een bewijs dat past bij de ideologie van het Augusteïsche principaat, verschijnt Aeneas a.h.w. als een mythische voorafbeelding van de princeps. Het is geen toeval dat de held aan de Sibylle belooft voor Apollo een tempel te bouwen, helemaal van marmer, waarin haar orakels een verblijfplaats kunnen vinden (een duidelijke verwijzing naar de constructie van de tempel op de Palatijn) en dat de toekomstige geschiedenis van Rome, zoals die hem aangekondigd is gedurende zijn tocht naar de onderwereld, zijn hoogtepunt vindt in de bevestiging van Augustus, 'zoon van de god (Caesar), die opnieuw in Latium het gouden tijdperk zal beginnen. ' (Vergilius, Aen., VI, 792-793).