Juda (hebr. j'hūdāh, betekenis onbekend) is de naam van o.a.:
(1) Juda, de zoon van Jakob en Lea, die zich volgens Gn 38 aan zijn zwagerplicht jegens Tamar trachtte te onttrekken, maar door haar met list gedwongen werd tot een verbintenis, waaruit de tweeling Peres en Zerach voortsproot. Hij krijgt in het verloop van de Jozefsverhalen een belangrijke rol toebedeeld, preluderend op het gewicht van de naar hem genoemde stam.
(2) De stam Juda wordt in Nm vermeld (1,26v en 26, 19-22), gekarakteriseerd in de zegen van Jakob (Gn 49,8-12) en van Mozes (Dt 33,7). De omvang van zijn stamgebied is beschreven in Joz 15, overeenkomstig de grootste uitbreiding ten tijde van Josia.
Onder David en Salomo had de stam J. de leiding over het twaalfstammenrijk, na de afval van het noorden in 943 bleef alleen Benjamin met J. verbonden.
(3) Het rijk Juda hield stand onder de davidische dynastie
toen de Assyriërs het noordelijke rijk in bezit
hadden genomen. Na het verval van het assyrische
rijk won het aan onafhankelijkheid, maar in 586
werd de tempel van Jeruzalem verwoest en de
elite van de bevolking in de ballingschap naar Babylon
weggevoerd. De ballingen, die van
Cyrus er
zijn opvolgers gelegenheid kregen naar hun stamland
terug te keren legden de grondslag voor een
nieuwe staat, die later Judea zou heten. [Beek]