Maria (hebr. Mirjam). Voor het OT Mariamne. In het NT komen 6 personen voor die de naam M. dragen:
(1) M., de moeder van Jezus,
(2) M. Magdalena,
(3) M. van Betanië,
(4) M., de moeder van Jacobus.
Over M., de moeder van Johannes Marcus (Hand 12,12), en de joods-christelijke vrouw van die naam in Rom 16,6 is ons verder niets bekend.
(1) Maria, de moeder van Jezus. Lc 1,26 en 2,4 vermelden Nazaret als woonplaats van M. De geboorte van Jezus in Betlehem (Lc 1,32; 2,4; Mt 1,17; 2,6) heeft allereerst theologische betekenis, wat overigens de historiciteit niet uitsluit, maar in elk geval geen argument is tegen de afkomst uit Nazaret (vgl. Mt2,23). De davidische afstamming van M. volgt niet uit de aanduiding 'Zoon van David' (vgl. Lc 1,32.69; Hand 2,30; Rom 1,3), omdat hiervoor de mannelijke lijn bepalend was, zoals ook blijkt uit de stamboom (Mt 1,16; Lc 3,23; Jozef van Nazaret). De bepaling dat een vrouw moest trouwen in de familie van haar vader (Nm 36,6) was in het begin van onze jaartelling in onbruik. Dit geldt uiteraard ook voor Elisabet en daarom kan uit Lc 1,36 en 1,5 evenmin de levitische afkomst van M. bewezen worden. De davidische afstamming wordt pas uitdrukkelijk vermeld door de W-tekst van Lc 2,4v, ProtEv 10, Justinus (Apol. 1,32; Dial. 43.45.100.120) en Ignatius (Ef. 18,2; 20,2; Rom. 7,3; Smyrn. 1,1). 1Clem 32,2 verbindt beide gegevens.
De beide kindsheid-evv van Mt en Lc leren duidelijk dat M. maagdelijk ontvangen heeft. Mt 1,16 en Lc 3,23 wijzen de opvatting als zou Jezus de zoon van Jozef zijn nadrukkelijk van de hand (vgl. ook Jo 2,3). In dezelfde richting wijst ook de oude joodse beschuldiging als zou Jezus een onecht kind zijn (Stauffer). Godsdiensthistorische parallellen over een ἱερὸς γάμος (Dibelius) hebben uiteraard nooit de kracht van een bewijs. Ernstige bezwaren daarentegen leveren die plaatsen die zonder enige correctie Jezus de zoon van Jozef noemen (Mt 13,55; Mc 6,3; Jo 1,45; 6,42). In elk geval heeft de maagdelijke geboorte op de eerste plaats theologische en geen historische relevantie. Bedoeld is dat de Messias, zoals alle grote religieuze figuren uit Israëls geschiedenis (Isaak, Samuel, Johannes de Doper), 'niet uit de wil van een man maar uit God geboren' is (vgl. Jo 1,13). Dit blijft waar, ook wanneer de maagdelijke geboorte een literaire voorstelling zou zijn.
In de evv worden nog minstens zes broers en zusters
van Jezus genoemd (Mc 6,3; vgl. ThW 1, 144v).
Latere geschriften beschouwen hen als kinderen uit
een vroeger huwelijk van Jozef (ProtEv9,2; 17,1;
enz.) of als neven van Jezus (Hieronymus, e.a.).
Hoewel dit filologisch mogelijk is, is het zeker niet
de voor de hand liggende interpretatie van de betreffende
teksten, waar deze broers en zusters steeds
in gezelschap van M. optreden. In het begin van
Jezus' optreden treffen we de moeder van Jezus met
de broers in het gezelschap van Jezus aan (Mc 3,21.
31vv; Jo2,12). De broeders geloven aanvankelijk
niet in hem (ib.) en ook M. begrijpt hem niet (Lc
2,50; Naz. ev, fragm. 2). Na de verrijzenis maken zij
deel uit van de kerngroep van Jezus' leerlingen
(Hand 1,14). Over het levenseinde van M. bestaan
alleen apokriefe berichten.
Lit. ThW 4, 645vv. M. Dibelius, Jungfrauengeburt und Krippenkind
(Heidelberg 1932). F.-M. Braun, La mère des fidèles²
(Parijs 1954). W. Delius, M. in der neueren theologischen
Literatur (ThZ 10, 1954, 446-465). P. Gaechter, M. im Erdenleben²
(Innsbruck enz. 1954). E. Stauffer, Jesus, Gestalt und
Geschichte (Bern 1957) 22vv. J. Galot, Marie dans l'Évangile
(Paris/Louvain 1958). H. v. Campenhausen, Die Jungfrauengeburt
in der Theologie der alten Kirche (Heidelberg
1962). R. Laurentin, Het mariale vraagstuk heden (Roermond/Maaseik
1965). J. Blinzier, Die Brüder und Schwestern
Jesu (Stuttgart 1967). K. H. Schelkle, Die Mutter des Erlösers³
(Düsseldorf 1967). E. Nellessen, Das Kind und seine
Mutter (Stuttgart 1969). H. G. Brosch/J. Hasenfuss ed.,
Jungfrauengeburt gestern und heute (Essen 1969).
(2) Maria Magdalena. De bijnaam betekent waarschijnlijk:
afkomstig uit Magdala. Lc 8,2 noemt haar
onder de vrouwen die Jezus begeleiden. Verder vermelden
de evv haar onder het kruis (Mt 27 ,56 e.p.),
bij het graf (Mt 27 ,61 e.p.) en bij de verrijzenis (Mt
28,1vv e.p.). Jo 20,1-8 vermeldt een verschijning aan
M. (vgl. Mc 16,9). In de oudheid en nog in de liturgie
wordt zij geïdentificeerd met M. van Betanië (zie
onder 3) en met de anonieme zondares van Lc 7 ,3650.
Deze identificatie berust op Jo 11,2, welke passage
dan weer in verband gebracht wordt met Le
7 ,36-50 en 8,2. De kwestie is meer van literaire dan
van historische aard. Waarschijnlijk zijn er twee
verhalen in omloop geweest: één over een boetvaardige
zondares die Jezus te voet valt en een ander
over een vrouw die Jezus vóór zijn dood zalft als
teken van welkom. Beide verhalen zijn in de traditie
door elkaar geraakt.
Lit. A. Legault, An Application of the Form-Critique Methode
to the Anointing in Galilee and Bethany (CBQ 16, 1954,
131-145). A. Scherer, Biblische Frauen (Frankfurt 1966). G.
Bouwman, La pécheresse hospitalière (ETL 45, 1969, 1721
79).
(3) Maria van Betanië, zuster van Lazarus en Marta
(Lc 10,38-41; Jo 11,1-44; 12,1-11). Johannes identificeert
haar met de zondares die Jezus zalfde (Jo
11,1-44; Lc7,36-50) èn met de vrouw die Jezus
zalfde vóór zijn dood (Jo 12,1-11; Mc 14,1-11 e.p.);
zie boven bij (2).
Lit. Zie boven bij (2).
(4) Maria, de moeder van Jacobus de Jongere
en Jozef (Mc 15,47: Joses). Zij stond onder het kruis
(Mt 27,56 e.p.), nam deel aan de begrafenis (Mt 27,
61 'de andere M.') en bezocht de volgende morgen
het graf (Mt28,1 e.p.; Lc24,10). Waarschijnlijk is
zij dezelfde als de vrouw van Klopas in Jo 19,25. In
dat geval is Klopas of Kleofas een andere vorm
voor (H)Alfeüs, die volgens de apostellijsten de
vader is van Jacobus de Jongere.
[Bouwman]