Sedert de 4e eeuw duidde a. (aanvankelijk niet-bijbelse, later bijbelse) refreinen aan, waarmee het volk telkens het psalmgezang van een groep voorzangers afwisselde. Over de ontwikkeling zijn we slecht ingelicht. Een verschillend geïnterpreteerde tekst (over een afwisselend gezongen hymne) vinden we in Plinius Minor, Epistula 10,97. Waardeloos is de opmerking van de kerkhistoricus Socrates, dat Ignatius van Antiochië (ca. 110 nC) aldaar ἀντιφώνους ὕμνους ingevoerd zou hebben. Van Tertullianus, De Oratione 27 (quorum clausulis respondeant qui simul sint) is de interpretatie onzeker; zie G. F. Diercks, Q.Sept.Florens Tertullianus. De Oratione (Bussum 1947) 275v. Basilius voerde antifonaalzang in zijn kerk in (Epistula 207). In het Westen werd het zingen van a. uit het Oosten ingevoerd.
Bij Augustinus
(Confessiones 9, 12) is ongetwijfeld
sprake van een responsoriaal gezang met
refrein. De exacte zin van a. in de
Perigrinatio Egeriae
is niet steeds duidelijk; zie H. Pétré, Ethérie.
Journal de voyage (Paris 1957) 75 en 189; A. Bastiaense,
Observations sur le vocabulaire liturgique
dans l'itinéraire d'Egérie (Nijmegen-Utrecht 1962)
90. In later tijd werd de a. slechts voor en na een
psalm gezongen, en bij de Introitus bv. rest van de
psalm nog slechts één vers.
Lit. H. Leclercq (DAL 1, 2282-2319). L. Petit (ib. 1, 2461-2488).
- A. Lampe, A Patristic Greek Lexicon (Oxford 1961)
s.v. E. Jammers, Der gregorianische Rhythmus, Antiphonale
Studien (Stuttgart 1937). A. de Vogüé, Le sens d' 'antifona' et
la longueur de l'office dans la Regula Magistri (R.Bén. 71,
1961, 119v).
[Bartelink]