Marcus-evangelie


Marcus-evangelie (afk. Mc), in de traditionele volgorde het tweede evangelie.

(I) Auteur van dit aanvankelijk anoniem overgeleverde ev is volgens de traditie Johannes Marcus (Papias, Irenaeus, Tertullianus, Origenes, enz.). Omdat Mc zelf geen apostel is, verdient deze traditie serieus genomen te worden. In elk geval zijn er geen argumenten tegen. In het feit dat Mc meer over Petrus schrijft dan Mt en Lc en ook minder eervolle zaken vermeldt (8,33; 9,5; 14,37), zou men een bevestiging kunnen zien van de traditie dat hij de metgezel van Petrus is geweest (Marcus). In 14, 5lv zien velen een autobiografische notitie.

(II) Inhoud. Het geschrift van Mc noemt zichzelf 'evangelie'. Het woord komt uitsluitend voor in redactionele gedeelten, zodat het een schepping van Marcus zou kunnen zijn. In elk geval geeft 'blijde boodschap' uitstekend de bedoeling van Mc weer. Hij wil geen historisch relaas geven (hoewel het schema in grote lijnen wel historisch zal zijn) maar een boodschap verkondigen. Van het eerste vers af laat hij er geen twijfel over bestaan dat Jezus een uitzonderlijke persoonlijkheid is, die in conflict zal raken met de leiders van het volk (2,7; 3,6). Hoogtepunt van het boek is 8,27-9,13, de belijdenis van Petrus en de verheerlijking, geflankeerd door de aankondiging van het lijden. Bij de beschrijving van deze hoogte- en dieptepunten vermeldt hij steeds de reacties van de ornstanders: enerzijds verbazing en zelfs ontsteltenis (1,27; 2,12; 4,40; 5,15; enz.), anderzijds twijfel en onbegrip (4,13.40; 7,18; 8,17.33; enz.). Een bijzondere trek van Mc is dat Jezus dit onbegrip in de hand schijnt te werken. In plaats van zijn heerlijkheid te demonstreren, verbiedt hij de wonderen wereldkundig te maken (1,43-45; 5,43; 7, 36). De demonen die hem herkennen legt hij het zwijgen op (1,23-25.34; 3,11v). Dit z.g. 'Messiasgeheimnis' is sinds het begin van deze eeuw punt van discussie. De kwestie is op gang gebracht door W. Wrede, die meent dat Jezus tijdens zijn leven niet als Messias herkend is en dat Mc dit met zijn geheim probeert te verklaren. De 'Formgeschichte' heeft evenwel aangetoond dat we de evv allereerst moeten zien als neerslag van het geloof van de gemeente. In dit licht bezien, is het Messiasgeheim eerder een reflectie op het feit dat het geloof een mysterie is (4,11). Waarom de één wel tot het geloof komt en de ander niet, zal altijd een geheim blijven (Ebeling). Sjöberg heeft aangetoond dat het Messiasgeheim een literair gegeven is, dat in alle apokalyptische geschriften figureert. Tenslotte zal het tot op zekere hoogte een historische achtergrond hebben, die alleen door Mc sterker is aangezet. Ook Mt en Lc hebben deze bijzonderheid, zij het in mindere mate. Gezien de nationalistische strevingen van zijn tijdgenoten, zag Jezus zich gedwongen zijn messiaanse aanspraken te temperen.

tekst

(III) Literaire vorm. Het tweede ev valt op door zijn volkse taal en directe stijl, die wijzen op nauw contact met het gesproken woord. Kenmerkend voor deze stijl zijn o.a. het praesens historicum, het veelvuldig gebruik van eòüiv; (terstond), praegnante uitdrukkingen, anakoloetische verbindingen, enz. De directe stijl blijkt uit de vermelding van talloze, schijnbaar onbeduidende details (1,13.29.32; 3,9.34; 4,38; 6,47), die door latere evv worden weggelaten en wellicht de aanwezigheid van ooggetuigen (Petrus?) verraden.

(IV) Plaats en tijd van ontstaan. Mc schrijft kennelijk voor niet-joodse lezers, want hij vertaalt hebreeuwse en aramese uitdrukkingen (3,17; 5,41; 7, 11; 7,34; 9,43; 14,36; 15,22.34) en verklaart joodse gebruiken (7,3v; 13,12; 15,42). Hij bezigt een groot aantal latinismen (bv. 5,9; 12,14v.42; 15,15.39) en verklaart zelfs griekse woorden door middel van latinismen (12,42; 15,16). Dit alles zou op Rome als plaats van ontstaan kunnen wijzen. Het bestaan van heidenchristelijke gemeenten sluit een ontstaan vóór 50 uit. De onlangs ontdekte fragmenten in Qumran zijn (zo ze al van Mc zijn) geen bewijs voor een vroegere datering. Bij paleografische datering moet men steeds de marge van één generatie aanhouden, omdat de individuele afschrijver niet noodzakelijk de mode in de schrijfwijze volgt. Als grens naar boven geldt het jaar 70, omdat Mc de val van Jeruzalem niet meegemaakt schijnt te hebben (vgl. 13, 10). Gewoonlijk dateert men Mc tussen 60 en 65.

(V) Integriteit. In de hss. SB k syrs armcodd., bij Clemens Alexandrinus, Eusebius en Hieronymus eindigt Mc met 16,8 ('want zij waren bevreesd'). De meerderheid van de hss. heeft het lange slot 16,9-20; enkele hebben na vs 8 een korter slot. Men is algemeen van oordeel dat deze beide sluitstukken niet oorspronkelijk zijn. Het lange slot is duidelijk een compilatie van Mt, Lc en J. Moeilijker is de vraag te beantwoorden, hoe het ev oorspronkelijk eindigde en waar een eventueel ander slot gebleven is.


Lit. A. Gelin (DBS 5, 1206-1212). W. Wrede, Das Messiasgeheimnis in den Evangelien (Göttingen 1901, 1969). J. Ebeling, Das Messiasgeheimnis und die Botschaft des MarkusEvangelisten (Berlin 1939). R. H. Lightfoot, The Gospelmessage of St. Mark (Oxford 1950). E. Sjöberg, Der verborgen Menschensohn in den Evangelien (Lund 1955). W. Marxsen, Der Evangelist Markus (Göttingen 1956). J. A. Robinson, Das Geschichtsverständnis des Markus (Zürich 1956). E. Trocmé, La formation de l'Évangile selon Marc (Paris 1963). E. Best, The Temptation and the Passion. The Markan Soteriology (Cambridge 1965). J. Bowman, The Gospel of Mark, the New Christian Jewish Passover (Leiden 1965). R. Grob, Einführung in das Markus-Evangelium (Zürich/Stuttgart 1965). Q. Quesnell, The Mind of Mark (Rome 1967). B. Rigaux. Het getuigenis van Marcus (Brugge/Utrecht 1967). C. F. Evans, The Beginning of the Gospel (London 1968). C. Masson, L'Évangile de Mare et l'Église de Rome (Neuchâtel/ Paris 1968). G. Minette de Tillesse, Le secret messianique dans l'Évangile de Marc (Paris 1968). J. Lambrecht, Marcus interpretator (Brugge/Utrecht 1969). K. G. Reploh, Markus, Lehrer der Gemeinde (Stuttgart 1969). K. Kertelge, Die Wunder Jesu im Markusevangelium (München 1970). Commentaren: E. Klostermann (Tübingen 1950). J. Keulers² (Roermond 1951). V. Taylor (London 1952). F. C. Grant (New York 1953). J. Schmid4 (Regensburg 1958). J. Schniewindl (Göttingen 1963). 1. Hermann (Düsseldorf 1965v). M. H. Bolkestein² (Nijkerk 1966). M. J. Lagrange (Paris 1966). R. Schnackenburg (Düsseldorf 1966v). A. M. Hunter (London 1967). E. Lohmeyer (Göttingen 1967). K. Marti (Basel 1967). F. Rienecker³ (Wuppertal 1967). W. Grundmann (Berlin 1968). E. Haenchen² (Berlin 1968). D. E. Nineham (New York 1968). E. Schweizer (Göttingen 1968). H. H. Hobbs (Grand Rapids 1970). [Bouwman]


Afkortingen Lijst van Namen