Der

kaartDer (dêru of diri), mesopotamische stad, wordt tegenwoordig algemeen geïdentificeerd met Tell 'Aqr, ten oosten van Bagdad aan de perzische grens bij Bedre. Gelegen aan de weg van Babylonië naar Elam en Perzië was het van groot strategisch belang. Tot nu toe hebben er geen geregelde opgravingen plaats gevonden, hetgeen het onmogelijk maakt iets te zeggen over de vroegste geschiedenis van de stad. Dit wordt enigermate goedgernaakt door een veelvuldig voorkomen van D. in de teksten.

D. wordt misschien in de geboortelegende van Sargon genoemd als een van de begrenzingen van diens rijk. Op veiliger terrein komen we vanaf de dynastie van Ur III. Sulgi bouwde of herstelde, misschien in zija 4e jaar, een ternnel voor de hoofdgod van D. D. behoorde ook tot de vele steden die zich aan het einde van deze dynastie onafhankelijk maakten. Ilusuma van Assyrië noemt D. een van de door hem uit babylonische macht bevrijde steden. Uit middel-babylonische tijd, van een van de Kurigalzu's, stamt een baksteen met inscriptie en een tekening die egyptische invloed vertoont. Uit de tijd van de laatste Kurigalzu stamt vermoedelijk een grenssteen met tekst over een schenking van grond in het gebied van D. Kidrin-Hutridis van Elam zou tijdens Enlilnadinsumi van Babylonië D. geplunderd hebben; Nebukadnezar I daarentegen gebruikte D. weer als basis voor een aanval op Elam.

Ca. 900 vC begon het opdringen van Assyrië. In 814 vond onder Samsi-Adad een expeditie naar D. plaats. In 795 en 794 waren er tijdens Adadnirari III wederom expedities naar D. Uit het 3e jaar van Salmanassar V en het 1e van zijn opvolger Sargon II stamt een reeks transacties betreffende de verkoop van huizen in D. Sargon bevestigde de vrijheid van D., zoals hij dat voor veel babylonische steden beweert te hebben gedaan. Vermoedelijk in 720 leverde hij bij D. slag met Umbanigas van Elam, die Mardukapalidinna van Babylonië te hulp was gekomen en er volgens de babylonische kroniek in slaagde, Sargon te verslaan. D. bleef echter waarschijnlijk in assyrische handen. Sanherib vergrootte het ambtsgebied van de garnizoenscommandant van D. aan het begin van zijn 7e veldtocht, die tegen Elam gericht was.

In het 3e jaar van Nabopolassar (623?) kwam D. in opstand tegen de Assyriërs. Cyrus zou tenslotte de goden van D. weer hebben teruggevoerd en de stad herbouwd. In seleucidische tijd is alleen een tekst bekend die D. noemt als plaats van herkomst van een schrijver.


Lit. E. Unger (RLA 2, 199-201). E. Forrer, Die Provinzeinteilung des assyrischen Reiches (Leipzig 1932) 89. S. Smith (JEA 1932, 28-32). D. J. Wiseman, Chronicles of Chaldaean Kings (London 1956) 10. [v.Driel]


Kaart