
Kizzuwatna, landstreek en staat in het zuidoosten
van Anatolië begrensd door de rivier de Seyhan
(Sarus) in het westen, de streek van Elbistan in het
noorden, de Antitaurus in het noordoosten en de
Middellandse Zee in het zuiden en met als bestuurlijk
centrum het gebied van de cilicische vlakte van
de grieks-romeinse periode. Tijdens het oud-hethitische
koninkrijk (Hethieten) moet het gebied deel
hebben uitgemaakt van het hethitische territorium,
maar in de 16e-15e eeuw ontstond hier een onafhankelijke
staat, waarvan de geschiedenis vagelijk
bekend is uit de teksten van Hattusas, de hethitische
hoofdstad. Het land wordt voor de eerste maal
vermeld tijdens de regering van Telibinus (ca.
1520-1500 vC). Deze vorst sloot een verdrag met
Isputahsus, koning van K., die eveneens bekend is
door de vondst van een gezegelde kleibulla met zijn
naam bij de amerikaanse opgravingen in Tarsus.
Van het verdrag tussen beide vorsten - het eerste in
een lange reeks van hethitische staatsverdragen -,
zijn fragmenten van een hethitische en van een akkadische
versie teruggevonden. Vermoedelijk was dit
verdrag op een paritaire verhouding tussen beide
landen gebaseerd, daar het bijschrift in spijkerschrift
op de bulla Isputahsus als 'Groot-koning' kwalificeert.
De hiër. tekens op de bulla vormen een vroeg voorbeeld van het hiër. schrift, daarom zo belangrijk, omdat men op grond van interne evidentie, te weten de keuze der akrophone waarden, geconcludeerd heeft dat het hiër.-schrift in luwisch gebied met gebruikmaking van vroegere, als logogrammen fungerende symbolen tot volle ontplooiing moet zijn gekomen. Latere verdragen tussen beide landen zijn ofwel in het oud-hethitisch ofwel in het akkadisch overgeleverd.
Er zijn sterke aanwijzingen dat in de 16e-15e eeuw een hurritische bevolkingsgroep in K. is binnengedrongen en recentelijk wordt het door een aantal geleerden als waarschijnlijk beschouwd dat de dynastie van de voorgangers van Suppiluliumas I, te beginnen met de veroveraar Tudhaliyas (ca. 1450 vC) uit K. afkomstig is geweest, terwijl de groeiende hurro-luwische invloed uit de tijd van het begin van het Nieuwe Rijk dan met deze machtsovername vanuit K. in verband gebracht wordt. Bij de teruggang van de hethitische macht tussen 1430 en 1380 vC is K. (met Aleppo) verloren gegaan aan het Mitanni-rijk, dat vroegere invloed wist te herwinnen.
Door Suppiluliumas I (ca. 1370-1345 vC) werd K.
weer aan de hethitische zijde gebracht door middel
van een verdrag met Sunassuras, dat in enkele
uiterlijkheden een schijn van gelijkheid oproept
maar in feite het einde van de onafhankelijkheid van
K. bezegelt. De naam der landstreek bleef echter gehandhaafd
en is bv. nog terug te vinden in de stadsnaam
Kisuatni van de landstreek Que, genoemd
in een tekst van Salmanassar III (858-824 vC).
Lit. A. Goetze, Kizzuwatna and the Problem of Hittite Geography
(New Haven 1940).
[Houwink ten Cate]