
Tabal, naar een in hethitische teksten van het
tweede millennium vermelde berg genoemde landstreek
tussen Taurus en Halys, die grotendeels
overeenkomt met het latere Cappadocië. Het
land T. wordt in assyrische teksten uit de 9e tot de
7e eeuw vC vermeld, terwijl het gebied ook vele
luwische teksten uit datzelfde tijdvak heeft opgeleverd.
Uit de combinatie van beide bronnen, gecompleteerd
met een enkel urartees gegeven, blijkt dat
2-39; 195, 1969, 2-49). E.
Sellin, Tell Ta'annek (Wien 1904). P. W.
tenminste vanaf de tweede helft van de 9e eeuw een
dynastie van 'Groot-koningen' van T. over een vrij
groot aantal locale heersers politiek gezag heeft uitgeoefend.
Vooral in de 8e eeuw kan T. een relatief belangrijke anatolische staat geweest zijn. Een deel van de teksten heeft een sterk officieel, kalligrafisch, eventueel archaïsch of archaïserend karakter, terwijl andere; wellicht jongere, teksten sterker syllabisch geschreven zijn en meer cursieve schriftvormen vertonen. Naast monumentale teksten op steen heeft de vindplaats Kululu op stroken lood geschreven economische teksten opgeleverd, die met de in Assur gevonden brieven op lood vergeleken kunnen worden. In de tijd van Salmanassar III betaalde T. voor het eerst schatting aan Assyrië (837 vC). In de tijd van Tiglatpilesar III (744-727) geschiedde hetzelfde en werd later een nieuwe dynastie op de troon gebracht; Sargon II (721-705) huwelijkte een dochter uit aan Ambaris, de tweede koning, in een poging om het rijk aan zich te binden. Toch werd T. nadien in 713 nog tijdens de regering van Sargon II tot assyrische provincie gemaakt, nadat Ambaris met de koning van Urartu en Midas van Phrygië diplomatieke contacten had opgenomen.
Uit het versierde aardewerk blijkt de culturele verbondenheid der bevolking van T. met Oost-Phrygië ten noorden van de Halys. Ca. 800 vC wordt in beide streken beschildering met herten en concentrische cirkels aangetroffen; omstreeks 700 vC vormde het schaakbord een geliefd motief. Met de neo-hethitische staten heeft T. versiering van openbare gebouwen met bazalten reliëfs en standbeelden gemeen en het gebmik van het luwische hiërogliefenschrift.
Zo leverde de ijzertijd-laag van Kanes
een uit de 9e eeuw daterend reliëf van de oude anatolische
jachtgod op; het bergfort Kululu, 48 km ten
zuidoosten van Kanes, is de vindplaats van een 3 m
hoog koningsbeeld uit de 8e eeuw; terwijl een ander
bergfort, Göllüdag, 140 km zuidwestelijk van Kanes,
poortleeuwen in laat 8e-eeuwse stijl bevatte.
Vijftig km verder naar het zuiden, te Kemerhisar en
Ivriz bij Bor, zijn respectievelijk een stele en een
rotsreliëf gevonden van Warpalawas van Tuwanuwa
(het latere Tyana), die als Urballa van Tuhana in
737 vC naast de koning van T. schatting aan de assyrische
koning betaalde. Op het rotsreliëf bidt Warpalawas,
in een door een phrygische fibula bijeengehouden
gewaad met geometrische versiering, tot een
stormgod, die druiventrossen en korenaren overhandigt.
Lit. Ph. Houwink ten Cate, Kleinasien zwischen Hethitern und Persern
(in Die altorientalischen Reiche III, Fischer Weltgeschichte 4,
Frankfurt a.M. 1967, 112-134). W. Orthmann, Untersuchungen zur
späthethitischen Kunst (Bonn 1971) 113-118, 217-220. J.N. Postgate,
Assyrian Texts and Fragments 5. Sargon's Letter to Midas (Iraq
35, 1973, 21-34).
[Houwink ten Cate/van Loon]